over

PLATFORM TALENT

Ontdek nieuwe creatieve talenten die actief zijn op het gebied van design, architectuur en digitale cultuur, ondersteund door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Het Platform Talent laat zien wat artistieke en professionele groei betekent en is een bron van informatie voor andere makers en opdrachtgevers.

PROGRAMMA TALENTONTWIKKELING

Talentontwikkeling is een van de speerpunten van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Jaarlijks krijgen opkomende ontwerptalenten dankzij een werkbeurs van het fonds de kans zich optimaal te ontwikkelen op het artistieke en professionele vlak. De ontwerpers zijn maximaal vier jaar geleden afgestudeerd en werkzaam binnen diverse disciplines van de creatieve industrie, van modevormgeving tot grafisch ontwerp, van architectuur tot digitale cultuur. Met het Platform Talent portretteert het Stimuleringsfonds alle individuele praktijken van ontwerpers die sinds 2013 zijn ondersteund.

2019

ESSAY: Groeibriljanten en Nieuwe Olie

door Rosa te Velde
Rond 1960 komt de eerste talentenjacht op de Nederlandse televisie, overgewaaid uit Amerika. ‘Nieuwe Oogst’ wordt in eerste instantie gemaakt in de zomermaanden, met weinig budget. Een talentenjacht blijkt een goedkope manier om vermakelijke televisie te maken: de deelnemers grijpen hun kans om beroemd te worden met hun kunstjes, grappen, vermaak en spektakel – in ruil voor koffie en reiskosten.1

Talentenshows, talentenjachten bestaan sinds mensenheugenis. Maar het idee van talentontwikkeling – het belang van het financieel ondersteunen van en investeren in talent – bestaat nog niet zo heel lang. Vanaf de jaren zeventig, met de opkomst van de informatiemaatschappij en de kenniseconomie wordt het belang van ‘een leven lang te leren’ steeds belangrijker. Kennis wordt een asset. Bijscholing, het ontwikkelen van je skills en flexibiliteit worden vereisten en passie wordt noodzaak. Jij bent verantwoordelijk voor eigen geluk en succes. Je moet ‘eigenaar’ worden van je persoonlijke groeiproces. In 1998 publiceert McKinsey & Company ‘The War for Talent’. In deze studie wordt onderzocht wat het belang van ‘high performers’ is voor bedrijven, hoe talenten te werven, ontwikkelen, motiveren en hen vast te houden als werknemers. In de afgelopen decennia is talentenmanagement (TM) een belangrijk onderdeel geworden van bedrijven om concurrentievermogen te optimaliseren, nieuw leiderschap te kweken of persoonlijke groei te bewerkstelligen. Talentmanagement richt zich soms op het hele bedrijf maar vaker exclusief op jonge ‘high potentials’, die ofwel reeds een goede performance hebben geleverd, ofwel veelbelovend zijn en potentie hebben.2 Het is sociaal geograaf Richard Florida die talent in verband brengt met creativiteit in zijn boek The Rise of the Creative Class (2002). In dit boek maakt hij de – onomkeerbare – koppeling tussen economische groei, stedelijke ontwikkeling en creativiteit. Een vleugje excentriciteit, een bohemienne levensstijl en coolheid worden de bepalende factoren die onder de noemer ‘creativiteit’ de speelruimte vormen waar waardecreatie plaatsvindt. Zijn theorie resulteert in een stortvloed aan innovatieplatforms, zinderende creatieve kennisregio’s en levendige broedplaatsen. Het talentdiscours raakt onlosmakelijk verbonden met de creatieve industrie. Zo is de door Florida opgerichte Global Creativity Index – Nederland staat in 2015 op nummer 10 – gebaseerd op de drie T’s van technology, talent en tolerance. Het fenomeen ‘talent’ neemt een vlucht binnen de wereld van de tech startups en in Silicon Valey vechten de innovatiemanagers om de beste talenten. ‘Talent is the new oil’.

Het idee dat talent zich kan ontplooien en ontwikkelen onder de juiste condities staat haaks op het oudere, romantische concept van het door god gegeven, mysterieuze ‘genie’. Talent in de moderne opvatting is niet (geheel) aangeboren, en juist daarom heeft het zin om er geld en ruimte voor te geven. Zoals een groeibriljant, die ‘stapsgewijs waardevoller’ kan worden.

Wat is de geschiedenis van cultuurbeleid en talentontwikkeling in Nederland? Waar de overheid tot de Tweede Wereldoorlog cultuur overlaat aan particulieren, wordt na de oorlog een actief, “stimulerend, voorwaardenscheppend beleid” gevoerd.3 De overheid houdt vast aan het Thorbecke-principe en is geen ‘oordelaar’ van kunst. Maar volgens literatuurhistoricus Bram Ieven vindt vanaf de jaren zeventig een kanteling plaats. Kunst moet democratischer worden en om dat te bereiken moet er meer aansluiting op de markt komen: “[…] van een maatschappelijke invulling van het sociale van de kunst (kunst als participatie) naar een marktgerichte invulling van de sociale taak van de kunst (kunst als creatief ondernemerschap).”4 Met de BKR en later de WWIK worden kunstenaars en vormgevers langdurig financieel ondersteund als ze over onvoldoende middelen beschikken op voorwaarde van een diploma aan een erkende academie of als bewezen was dat men een beroepspraktijk had.5

Pas in de cultuurnota ‘Kunst van Leven’ (2006) van Ronald Plasterk wordt het belang van investeren in talent veelvuldig genoemd, want veel talent blijft ‘onbenut’.6 Plasterk roept met name op om ‘excellent toptalent’ meer ruimte te geven, vooral om internationaal mee te kunnen blijven doen. Sindsdien staat ‘talentontwikkeling’ als begrip in steen gebeiteld in cultuurbeleid. In ‘Meer dan kwaliteit’ (2012) onderschrijft ook Halbe Zijlstra het belang van talent, maar hij geeft een andere uitleg: “Net als in de wetenschap is het in de cultuur belangrijk ruimte te geven aan vernieuwing en innovatie die niet door de markt tot stand komt, omdat de ondernomen activiteiten nog niet direct winstgevend zijn.”7 Het ondersteunen van talent kan hiermee zelfs na de economische crisis gemakkelijk gelegitimeerd worden binnen Zijlstra’s beruchte nuttigheid- en rendementsdenken. Ook Jet Bussemaker handhaaft de nadruk op talentontwikkeling en voor de komende jaren blijft talent op de agenda staan.8

Door het Stimuleringsfonds wordt in 2013 voor het eerst een groep van talenten gesubsidieerd. Net als bij het talentontwikkelingsprogramma van het Mondriaanfonds wordt in het beleidsplan van 2013-2016 gekozen voor één gezamenlijke selectieronde per jaar. Hoewel de nadruk ligt op individuele trajecten, wordt genoemd dat een gezamenlijke beoordeling objectiever en deskundiger is en publicitaire ondersteuning daarmee ook gemakkelijker.9 Wie wordt als creatief talent in beschouwing genomen? Om in aanmerking te komen voor de beurs moet je aan een aantal specifieke eisen voldoen: je moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel, niet langer dan vier jaar geleden een ontwerpopleiding hebben afgerond en een goede aanvraag kunnen schrijven waarmee de negen commissieleden uit het veld kunnen worden overtuigd van jouw talent. Zij bepalen op basis van een aanvraag de potentie, ofwel de belofte van je ontwikkeling, waarbij de timing van deze subsidie goed moet passen. Hoe genuanceerd de aanvraagprocedure ook verloopt, deze factoren zorgen voor een afgebakend begrip van ‘talent’.

Als je door de strenge selectie heen komt – gemiddeld wordt tien tot vijftien procent van de aanvragen gehonoreerd – is het een enorme luxe om een jaarlang zelf je agenda te mogen bepalen: te kunnen acteren in plaats van te reageren. Een vrijhaven, een korte pauze van bestaansonzekerheid. Of is het juist een bekrachtiging van het systeem; het moment waarop de kansen gepakt moeten worden? Als gevolg waarvan zelfexploitatie, stress en verlamming toeslaan? Het creatieve proces is in werkelijkheid erg grillig. Zullen de talenten hun belofte kunnen inwisselen?

De een heeft een reis naar China gemaakt, een ander heeft een residentie in Oostenrijk kunnen doen, weer iemand anders zei z’n bijbaantje op. Velen doen onderzoek op allerlei niveaus; van veldonderzoek, materiaalexperimenten tot het schrijven van essays. Sommigen bouwen prototypes of kunnen eindelijk Ernst Haeckel’s Kunstformen der Natur kopen. Anderen organiseren bijeenkomsten, fabrieksbezoeken, ontmoetingen, interviews, een ball.

Is er een gemeenschappelijke deler te onderscheiden binnen deze selectie van talenten? De groep is ook dit keer juist geselecteerd op balans en verscheidenheid; van geluidskunstenaar, filmmaker, designthinker, onderzoeker, cartograaf, verhalenverteller, voormalig architect tot genderactivist-cum-modeontwerper – en dus kan gezamenlijkheid in presentatie geforceerd aanvoelen. Maar door samen naar buiten te treden wordt zichtbaarheid van de talenten gecreëerd. Belangrijk, want hoe anders kan deze investering worden gelegitimeerd?
Dit zijn de vragen die al sinds de eerste lichting spelen bij het Stimuleringsfonds; hoe treden we naar buiten met deze groep, zonder een plat, ongenuanceerd spektakel of romantisch idee van talent neer te zetten? Maar hoe maken we tegelijkertijd wel aan de buitenwereld zichtbaar wat er met publiek geld gebeurt? En wat is goed voor de talenten zelf? In de afgelopen jaren zijn er verschillende vormen uitgetest om te reflecteren op het jaartraject. Van verschillende gecureerde exposities met publicaties vergezeld door presentaties, podcasts, teksten, websites, workshops en debatten.
Het Stimuleringsfonds werkt als buffer tussen het neoliberale beleid en de creatieve werkelijkheid. Het fonds schept luwte voor het maken en biedt ruimte aan het nog-niet-weten, het onderzoek, het experiment en het falen, zonder daar al te veel eisen aan te stellen. Een evenwichtsoefening: Hoe demp je de harde beleidstaal, houd je de rendementsdenkers op afstand, terwijl de (absolute) noodzaak voor deze financiering gemeten, gezien en daarmee gewaarborgd blijft?

Dit jaar is op inspraak van de talenten zelf gekozen voor een andere aanpak: geen expositie. De Dutch Design Week lijkt voor de meesten niet de juiste plek te zijn; slechts een enkeling wil überhaupt een ‘afgerond’ ontwerp of project presenteren en niet noodzakelijk tijdens DDW. Bovendien: veel van de talenten hebben de subsidie ingezet om onderzoek te doen en mogelijkheden te scheppen. In plaats van een gezamenlijke expositie is daarom gekozen voor een bijeenkomst en profielteksten en videoportretten die gepubliceerd worden op ‘Platform Talent’, een online database. Hiermee komt de nadruk minder op het afgelopen jaar te liggen en meer op de zichtbaarheid van de maker en zijn/haar proces; een verschuiving van minder concrete of toegepaste resultaten naar meer aandacht voor persoonlijke werkwijzen. Voldoet deze publiekmaking aan de honger en nieuwsgierigheid van het brede publiek en de resultaatgerichtheid van de politiek? Is het misschien belangrijker geworden om aan te kondigen dat er talent is en niet wat het talent is? Of is dit een manier om meetbaarheid te omzeilen en de druk van de ketel af te halen?

Wat de talenten misschien nog het meest verbindt is het feit dat ze, hoewel ze erkend worden als ‘high performers’, allen op zoek zijn naar duurzame vormen van creatief werk binnen een precair en competitief ecosysteem van kansen pakken, optimisme en continu beschikbaar zijn. Falen of kwetsbaarheid, of het bespreken van de grilligheid van creativiteit heeft daar tot op heden nog weinig plek. De zoektocht naar talent blijft een show, een jacht, competitie of oorlog.

1 https://anderetijden.nl/aflevering/171/Talentenjacht
2 Elizabeth G. Chambers et al. ‘The War for Talent’ in: The McKinsey Quarterly 3, 1998 pp. 44–57. In 2001 verscheen dit onderzoek in boekvorm.
3 Roel Pots, ‘De tijdloze Thorbecke: over niet-oordelen en voorwaarden scheppen in het Nederlandse cutluurbeleid’ in: Boekmancahier 13:50, 2001, pp.462-473, p. 466.
4 Bram Ieven, ‘Opbouw als afbraak: over democratisering als vanishing mediator in het huidige kunstenbeleid’ in: Kunstlicht, 2016 37:1, p. 12.
5 De Beeldende Kunst Regeling gold van 1956-1986 en de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars van 2005-2012.
6 Ronald Plasterk, Hoofdlijnen Cultuurbeleid Kunst van Leven, 2006 p. 5. Plasterk was minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2007 tot 2010.
7 Halbe Zijlstra, ‘Meer dan Kwaliteit: Een Nieuwe visie op cultuurbeleid’, 2012, p. 9. Zijlstra was staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2010 tot 2012 en verantwoordelijk voor de bezuinigingen op subsidies in de cultuursector.
8 Jet Bussemaker was minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 2012 tot 2017.
9 Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie, beleidsplan 2013/2016.

laad meer

2018

In 24 filmportretten van 1 minuut maak je op een persoonlijke en intieme wijze kennis met talentvolle ontwerpers, makers, kunstenaars en architecten die in 2017/2018 een werkbeurs ontvingen. Studio Moniker is verantwoordelijk voor het concept en de productie. Tijdens de Dutch Design Week 2018 zijn de filmportretten onderdeel van een installatie in het Veemgebouw.

PLATFORM TALENT 2018
PLATFORM TALENT 2018
PLATFORM TALENT 2018
PLATFORM TALENT 2018
PLATFORM TALENT 2018
PLATFORM TALENT 2018
PLATFORM TALENT 2018
PLATFORM TALENT 2018
(4/8)
laad meer

2017

De vierde editie van In No Particular Order tijdens de Dutch Design Week 2017 presenteerde een collectief statement over de pluriforme hedendaagse ontwerppraktijk. In negen installaties stonden de thema's Positie, Inspiratie, Werkomgeving, Representatie, Geld, Geluk, Taal, Discours en Markt centraal. De presentatie in het Van Abbemuseum stond onder leiding van curator Jules van den Langenberg, zelf deelnemer aan het Programma Talentontwikkeling in 2017.

2016

In de derde editie van In No Particular Order in 2016 gaf curator Agata Jaworska inzicht in wat het betekent om een ontwerppraktijk te hebben. Hoe creëren ontwerpers de omstandigheden waarin ze werken? Wat kunnen we leren van hun methodiek en werkwijze? In geluidsopnamen en met schetsen reflecteren de ontwerpers op deze vragen. Tezamen geven ze een persoonlijk beeld van de ontwikkeling van hun artistieke praktijken.

In No Particular Order 2016

2015

De tweede editie van de tentoonstelling In No Particular Order vond plaats in het Veemgebouw tijdens de Dutch Design Week 2015. Curator Agata Jaworska stelde de processen, uitgangspunten en visies achter de totstandkoming van werk centraal aan de hand van een databank met beelden uit de persoonlijke archieven van de ontwerpers. Wat drijft de hedendaagse ontwerper? Wat zijn hun inspiratiebronnen, motivaties en ambities?.

In No Particular Order 2015

2014

Wat maakt iemand tot een talent? Hoe wordt talent gevormd? Dat was de centrale vraag van eerste tentoonstelling In No Particular Order in de Schellensfabriek tijdens de Dutch Design Week 2014. Curator Agata Jaworska presenteerde niet alleen werk van de individuele talenten maar legde ook trends en onderlinge overeenkomsten bloot.

In No Particular Order 2014

Alvin Arthur

Alvin Arthur

Ontwerper Alvin Arthur is in 2018 afgestudeerd aan de bacheloropleiding Food-Non-Food van de Design Academy in Eindhoven. Tijdens zijn studie ontdekte hij zijn passie voor beweging, educatie en beeldtaal. Sindsdien zijn dit de pilaren van zijn praktijk die hij 'Choreografie van Interactie' noemt, een versmelting van choreografie en interactieontwerp. Komend jaar richt Arthur zich op drie projecten waarin nieuwe vormen van leren centraal staan. Het gaat om: 1. 'Technology & Eduction – Body.scratch', een toolbox voor kinderen om te leren programmeren door middel van choreografie en beeldtaal, 2. Identity – 'The Choreography Ice Cream', een performatieve installatie, waarin verhalen worden verteld door het bewegen van het lichaam, 3. 'Technology, Education & Identity – Year of research exhibition', een presentatie van de onderzoeksresultaten, waarin tevens ruimte is voor dialoog en experiment. Voor het professionaliseren en het verder ontwikkelen van zijn methodiek betrekt Arthur diverse partners en coaches, zoals danser en coder Christian Mio Loclair (directeur van Waltz Binaire), danser en pedagoog Léna Blou (directeur van Trilogie, Guadeloupe) en choreograaf en kunstenaar Hiroaki Umeda (directeur van S20, Japan).
Anna Fink

Anna Fink

Landschapsarchitect Anna Fink behaalde in 2017 haar Master aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. 'Landschap als een huis' is een vervolg op Fink's afstudeerproject waarin zij verschillende narratieven voor het Europese cultuurlandschap verbindt met erfgoed. Op het familie-erfgoed van Fink in Oostenrijk wil ze de methodiek van het belichaamd onderzoek verder ontwikkelen. Zo verbindt Fink haar onderzoek met de manier waarop het lichaam functioneert. Door middel van 'taskscapes' doet Fink onderzoek naar de handelingen die het landschap vormen. Deze worden vervolgens gebundeld in een boek. Anna Fink stelt dat deze culturele handelingen essentieel zijn in het ontwerpen van landschap om zo de locatie specifieke vitaliteit te behouden. Fink sluit het project af met een eigen Summer School. Hier zal aan de hand van het boek een nieuw landschapsnarratief gepresenteerd worden.
Arvand Pourabbasi

Arvand Pourabbasi

Arvand Pourabbasi heeft in 2017 zijn Master Interieurarchitectuur behaald aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Zijn werk is gericht op leef- en werkomstandigheden, nomadische thematieken en tijdelijke stedelijke installaties. Komend jaar richt hij zich op de begrippen 'comfort' en 'uitputting'. Productief zijn is volgens hem een geromantiseerd beeld, waarin wordt voorbijgegaan aan vermoeidheid, uitstelgedrag of angst. Vrije tijd als een moment van rust en comfort wordt daarbij niet juist benut, maar valt binnen een kapitalistische logica van een oplaadmoment om weer aan het werk te kunnen gaan. Het ontwikkelplan bestaat uit drie fases, waarin comfort en uitputting worden benaderd door middel van ruimtelijke arrangementen, lichamelijke uitvoeringen, rituelen, (performatieve) objecten en technologieën. Gedurende het ontwikkeltraject spreekt Pourabbassi met verschillende professionals, waaronder ontwerper Jurgen Bey, en ontwerpstudio Refunc, fysiotherapeuten en psychologen (prof. Wilmar Schaufeli). Het kunstenaarsduo Bik van de Pol adviseert hem op het gebied van ruimtelijke en interdisciplinaire praktijken. Daarnaast bezoekt hij de Lissabon Architectuur Triënnale (oktober 2019), de Sharjah Architecture Triennial (november 2019) en de ECCE 2019 - European Conference on Cognitive Ergonomics (Belfast, Noord-Ierland). Alle projecten eindigen in ruimtelijke installaties, interventies en sociaal-stedelijke evenementen.
Chiara Dorbolò

Chiara Dorbolò

Architect Chiara Dorbolò is in 2017 afgestudeerd aan de Academie van Bouwkunst Amsterdam/Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten met een Master Architectuur. Dorbolò bevraagt in haar werk de rol van architectuur in het huidige sociaaleconomische systeem, dat gedreven is door winst. Ze wil hiermee een ander perspectief bieden dat de betekenis van het vakgebied kan herdefiniëren. Haar doel is een aanpak te ontwikkelen die architectuurkritiek combineert met ontwerp en die gericht is op een duurzame toekomst. Komend jaar gaat ze (archief)onderzoek naar bijzondere visionaire en utopische praktijken doen uit de jaren zestig en zeventig die op grens van de architectonische discipline zitten. Verder ontwikkelt ze haar manier van vertellen door vaardigheden op te doen op het gebied van creatief schrijven, visuele technieken en uitvoerende kunst. Uiteindelijk presenteert ze een verzameling conceptuele ontwerpen, getiteld 'Ordinary Utopian Follies', dat dienst doet als manifest van haar nieuwe benadering van architectuur.
Cream on Chrome

Cream on Chrome

Martina Huynh en Jonas Althaus hebben, respectievelijk Man & Communication (BA) en Social Design (MA) afgerond aan de Design Academy Eindhoven. Als designstudio Cream on Chrome onderzoeken ze antwoorden op vragen als: Wat voor waarden zijn ingebed in de instrumenten die ons omringen, zoals slimme technologieën, telefoons of (on)zichtbare stadsinfrastructuren? En: Welke rol speelt de interface bij het vormgeven van deze instrumenten? Met deze vragen als leidraad ontwikkelt de studio alternatieve technologie met idealistische of subversieve waarden. De belangrijkste ambitie voor dit jaar is het versterken van de onderliggende methodologie. Het ontwikkelplan is uitgesplitst in drie fasen. In fase A testen ze hoe de relatie tussen gebruiker en nieuwsmedia wordt beïnvloed. Deze reflecties vloeien over in fase B (' Lab of Divergent Technologies' ), waar ze hun theoretische bevindingen naar de praktijk vertalen. Ten slotte zullen ze zich in Fase C onderdompelen in een cultureel nieuwe omgeving en de verworven inzichten testen op grootschalige, immateriële hulpmiddelen, zoals stedelijke infrastructuur. Komend jaar volgen de ontwerpers diverse technische workshops en schakelen ze expertise in op gebied van filosofie, architectuur en urban design. De 'Divergent Technologies' worden gedeeld in workshops gedurende het hele proces. De resultaten worden gepubliceerd in een tentoonstelling, lezing en op hun nieuwe website, dat eveneens dienst doet als onderzoeksplatform.
Gilles de Brock

Gilles de Brock

Grafisch ontwerper Gilles de Brock behaalde zijn Master aan het Design Department van het Sandberg Instituut. Zijn hybride praktijk richt zich op verschillende onderwerpen en media, variërend van zeefdrukken tot technologisch-georiënteerde projecten, coding, D.I.Y. productie, vakmanschap en textielontwerp. Zijn doel is de grenzen oplossen tijdens productieproces, het gereedschap en de ontwerper zelf. Komend jaar werkt De Brock aan de doorontwikkeling van zijn zelfontwikkelde machine: de ABCNC, wat staat voor AirBrush Computer Numerical Control. Met de machine is het mogelijk om digitaal te glazuren. Naast het uitbouwen van de ABCNC, zodat deze grotere oppervlakten kan printen, wil hij nieuwe machines ontwikkelen en infiltreren in bestaande industriële productielijnen. Hiervoor gaat hij onder andere meelopen in een fabriek van ECCO Leather. Ook heeft hij contact met MOSA in Maastricht. Daarnaast gaat De Brock een werkperiode doen in het EKWC in Oisterwijk om meer te leren over de samenstelling en gedrag van glazuren. Zijn technische vaardigheden ontwikkelt De Brock door samen te werken met verschillende experts en machinebouwers, zoals Kris Temmerman en informaticus Robin Cogan. De uitkomsten van het onderzoek zullen gepresenteerd worden op verschillende plekken, waaronder Fisk Gallery (Portland, VS), PaTI (Paju Typography Institute, Zuid Korea) en Chaumont Biënnale voor Grafisch Ontwerp, waar De Brock een workshop geeft over algoritmes en produceren met zelfbouwmachines.
Giorgio Toppin

Giorgio Toppin

Giorgio Toppin is in 2007 zijn eigen herenkledinglabel XHOSA gestart. Na verschillende niet afgeronde opleidingen besloot hij om in de praktijk aan de slag te gaan. Het belangrijkste idee achter XHOSA is de behoefte om een gevarieerder en breder scala aan items te bieden voor de moderne man. Met zijn collecties probeert Toppin het verhaal te vertellen over wat het betekent om een zwarte man te zijn in de hedendaagse maatschappij. Het komende jaar richt de ontwerper zich op de realisatie van een nieuwe collectie rondom het thema van diaspora. Hiervoor gaat hij terug naar zijn roots in Suriname om onderzoek te doen naar vakmanschap en lokale ambachten. Dit onderzoek vertaalt hij vervolgens naar de context van de XHOSA-wereld: een plek van hedendaagse mode. De collectie wordt aan het einde van het jaar gepresenteerd tijdens de New York Fashion Week.
Goys & Birls

Goys & Birls

Het Amsterdamse ontwerpcollectief Goys & Birls is opgericht in 2016 door Sandberg alumni Florian Mecklenburg en Monika Gruzite. Beiden zijn afgestudeerd aan de Design Master van het Sandberg Instituut. In 2018 heeft Karolien Buurman zich aangesloten. Zij behaalde in 2016 haar Master of Fine Arts aan hetzelfde Instituut. Goys & Birls richt zich op visuele storytelling door middel van grafisch ontwerp en moving image. Middels speculatieve scenario's reageren zij op de complexe hedendaagse maatschappij, waarbij de ontwerpers het van belang vinden de gelaagdheid en pluraliteit van onze realiteit te verbeelden. Komend jaar ontwikkelt Goys & Birls nieuwe strategieën om hun werkprocessen en ontwerpbenadering te verbeteren. Het ontwikkelplan omvat drie lijnen en uittingsvormen, die elk een ander aspect van hun professionalisering adresseren en waarbij verschillende partners worden gezocht. Het gaat om: 1. 'Theory & Analysis: Manifesto & Manual for Visual Speculations for Resistance', waarin de ontwerpers een framework willen ontwikkelen voor hun onderzoeksmethode; 2. 'Experiment & Practice: Design Lab Sessions', een interactieve ruimte voor collectieve creatie en onderzoek; 3. 'Summer School & Exhibition', waarin de ontwikkelde manual wordt ingezet als leermiddel.
Jing He

Jing He

Jing He studeerde in 2016 af aan de masteropleiding Contextual Design van de Design Academy in Eindhoven. In haar ontwerppraktijk kijkt Jung He vanuit een sociaal perspectief naar cultureel geladen objecten. Ze is geïnteresseerd in de wijze waarop deze objecten binnen lokale gemeenschappen nieuwe betekenis kunnen krijgen. In haar ontwikkelplan 'Elysium' richt de ontwerper zich op het gebruik van elementen uit de Europese architectuurtraditie in China. In het kader van haar onderzoek reist Jing He naar zeven locaties in China waarbij ze drie kopieën van de Arc de Triomphe bezoekt, maar ook kijkt naar restanten van de Franse koloniale periode. Tevens probeert ze binnen te komen in de gesloten Huawei campus waar naar verluid twaalf Europese steden zijn geïmiteerd. De reis zal eindigen in Parijs waarbij Jing He zich afvraagt of en op welke manier de reis haar perceptie van de stad heeft beïnvloed. Tijdens de reis worden concepten ontwikkeld die resulteren in vijf of zes verschillende objecten of producten, welke vervolgens weer in Europa tentoongesteld zullen worden.
Juliette Lizotte

Juliette Lizotte

Ontwerper Juliette Lizotte behaalde in 2016 haar Master aan het Design Department van het Sandberg Instituut. Samenwerkingen en ontmoetingen met gelijkgestemden staan centraal in haar interdisciplinaire ontwerppraktijk, waarin ze alternatieven zoekt voor bestaande systemen. Komend jaar richt ze zich op haar lopende onderzoek naar heksen en magie in relatie tot ecofeminisme. Ze wil een kader ontwikkelen voor haar uiteenlopende inspiratiebronnen en activiteiten die variëren van natuur, gemeenschap, activisme, niet-lineaire verhaalstructuren tot science fiction en LARPing (live action role-playing). Door voort te bouwen op de visuele en culturele geschiedenis van 'de heks', als subversief karakter, beoogt zij deze interesses te combineren en richting te geven. Het onderzoek krijgt vorm in diverse uitingen, afhankelijk van doel, context en publiek, zijn dit games, video, muziek, podcasts, publicaties of evenementen. Ze gaat hiervoor samenwerken en advies inwinnen van onder andere Random Studio, Hackers & Designers, STEIM, kunstenaar Melanie Bonajo, ontwerpduo Metahaven, ontwerper Yamuna Forzani, performance kunstenaar Astrit Ismaili en heks Laura Lynx.
Katarzyna Nowak

Katarzyna Nowak

Katarzyna Nowak heeft in 2016 haar Master Architectuur afgerond aan de Academie van Bouwkunst in Rotterdam. Tijdens haar studie raakte ze gefascineerd door de relatie tussen kunst en omgeving. Met haar afstudeerproject 'Art in context' onderzocht ze de optimale ruimtelijke omstandigheden van kunst en hoe deze worden ervaren. Het komende jaar ontwikkelt ze dit concept verder met als einddoel het project 'Art in the City', een architectonisch voorstel voor een experimentele museumtypologie voor Museum Boijmans van Beuningen. Door samen te werken met experts en curatoren verwerft ze aanvullende kennis op het gebied van kunst, tentoonstellingen en museumontwerp. Verder breidt ze haar netwerk uit en legt ze nieuwe verbindingen met professionals, waaronder Saskia van Stein. Samen met een bedrijfsadviseur ontwikkelt ze een (bedrijfs-)strategie en een communicatie- en promotieplan voor de professionalisering van haar praktijk. De resultaten van het onderzoek presenteert ze onder andere op het Museumcongres 2020.
Kuang-Yi Ku

Kuang-Yi Ku

Kuang-Yi Ku behaalde in 2018 zijn masterdiploma Social Design aan de Design Academy Eindhoven. Daarvoor ronde hij al twee masters af in Taiwan, waaronder ook een voor 'Dental Science'. Zijn praktijk is activistisch en interdisciplinair. Het werk heeft kenmerken van (speculatief) product ontwerp, social design, artscience en bioart. Het ontwikkelplan is gericht op verschillende projecten waarin de cross-over wordt gezocht tussen design, de medische sector en sociologie. Kuang-Yi Ku werkt hiervoor samen met verschillende artsen en wetenschappers aan designconcepten, geïnspireerd op opkomende medische technologieën. De projecten gaan dieper in op de ethische vraagstukken die samenhangen met deze ontwikkelingen en krijgen vorm in workshops, performances of lezingen. Daarbij wordt het ontwerpproces continu gemonitord waarna de verzamelde data worden geanalyseerd vanuit een sociologisch perspectief. Deze resultaten worden vervolgens teruggebracht naar wetenschappelijke conferenties.
Lieselot Elzinga

Lieselot Elzinga

Lieselot Elzinga studeerde in 2018 af aan de afdeling Modevormgeving van de Gerrit Rietveld Academie. Haar ontwerpen hebben een autonoom karakter, ze functioneren binnen hun eigen esthetiek en vertellen een verhaal op zichzelf. Elzinga's werkwijze resulteert altijd in een collectie met presentatie en manifestatie waarbij een interdisciplinaire mix ontstaat van looks, theater en performance. In haar ontwikkelplan richt Elzinga zich op de aanstaande samenwerking met het Londense MatchesFashion. Matches heeft als vooruitstrevend moderetailer de collectie ingekocht en is van plan deze vanaf oktober online en via hun drie filialen in Londen exclusief gaan verkopen. Elzinga wordt zodoende als merk in oktober 2019 door hen gelanceerd. Tijdens het ontwerp-, productie- en verkoopproces wordt samengewerkt met verschillende partijen die de maker ondersteunen op het gebied van techniek, materialen, sales, beeldvorming, publicatie, ondernemen, marketing, pers en pr. Met de beurs wil Elzinga haar kennis op deze vlakken versterken en aan haar persoonlijke ontwikkeling blijven werken.
Marco Federico Cagnoni

Marco Federico Cagnoni

Ontwerper en onderzoeker Marco Federico Cagnoni behaalde in 2018 zijn Master Social Design aan de Design Academy in Eindhoven. Met zijn maatschappelijk kritische projecten wil Cagnoni bestaande systemen ondervragen en alternatieven bieden voor bijvoorbeeld massaproductie en –consumptie. Zijn ontwikkelplan richt zich op het onttrekken van PEVA (Poly-Ethylene-Vinyel-Acetate), een niet-giftig en biologisch afbreekbaar alternatief voor plastic, uit planten. Hiervoor gaat Cagnoni samenwerken met het botanische onderzoekscentrum van de Universiteit Utrecht, specifiek met wetenschapper Han Wösten en horticulturist Gerard van Buiten. Het project wordt in verschillende fases gedeeld met het publiek. Zo gaat de ontwerper workshops organiseren, zoals het planten van zaadjes, 3d-printen met het materiaal en een voedselworkshop. Ook wil hij tours geven door de tuin. Tot slot is Cagnoni in contact met de industrie, waaronder DSM en Imat-Uve.
Mark Henning

Mark Henning

Mark Henning studeerde in 2017 af aan de afdeling Social Design van de Design Academy Eindhoven. Daarvoor behaalde hij een Bachelor graad Information design aan de universiteit van Pretoria in Zuid Afrika. In zijn ontwerppraktijk combineert Henning elementen van performance, objecten en communicatiestrategieën en reflecteert hij op sociale en ruimtelijke interactievormen. In zijn ontwikkelplan richt Henning zich op zowel speelse als kritische wijze op het fenomeen inburgering. Hij bouwt daarbij voort op twee projecten waarin hij de norm ter discussie stelt die wordt opgelegd in het inburgeringsexamen. Daarnaast kijkt hij naar de betekenis van handen schudden in relatie tot nationalisatie in zowel Deense als Nederlandse context.
Marwan Magroun

Marwan Magroun

Marwan Magroun is fotograaf en artdirector met een passie voor de stad Rotterdam. Een stad waar volgens Magroun zaken als emancipatie, integratie en de diverse samenstelling van de stad niet of nauwelijks worden gerepresenteerd in de beeldcultuur. Magroun heeft zichzelf ten doel gesteld hier verandering in te brengen. Zijn ontwikkelplan richt zich op het project 'The Life of Fathers', waarin Magroun vaders met een bi-culturele achtergrond belicht, die zich actief inzetten in het ouderschap. Volgens Magroun hebben veel vaders te maken met een stereotype beeld waar ze zich tegen moeten verzetten. Door middel van een fotoserie en een documentaire geeft Magroun een intieme kijk in het leven van deze vaders. Voor de professionalisering en artistieke ontwikkeling van zijn praktijk wil Marwan Magroun in de leer bij fotograaf en beeldmaker Khalik Allah. De resultaten van 'The Life of Fathers' worden op verschillende plekken gepresenteerd, waaronder mogelijk op het IFFR.
Maxime Benvenuto

Maxime Benvenuto

Maxime Benvenuto studeerde in 2016 af aan de afdeling Man & Leisure van de Design Academy Eindhoven. In zijn werk als ontwerper betrekt Benvenuto onderwerpen als (geo-)politiek, neoliberalisme en journalistiek. Domeinen die volgens de aanvrager recentelijk door een crisis zijn gegaan en zich moeten herbezinnen op hun eigen grondbeginselen. Door als ontwerper cross-overs aan te gaan met deze vakgebieden beoogt de aanvrager de geslotenheid van het ontwerpveld te doorbreken en van betekenis te zijn voor een breder publiek. In zijn ontwikkelplan ligt de focus op de positionering van zijn praktijk waarvoor hij drie fases omschrijft. De eerste fase start met een kwalitatief onderzoek naar bovengenoemde thema's. In de tweede fase wordt met behulp van drie mentoren ingezoomd op de eigen praktijk. De derde fase is gericht op het presenteren van het onderzoek in de vorm van een publicatie, een website en presentaties op de Biënnale van Slovenia en de Dutch Design Week.
Millonaliu

Millonaliu

Klodiana Millona en Yuan Chun Liu vormen samen het duo Millonaliu. Beiden behaalden hun Master diploma aan de afdeling INSIDE van de KABK. Hun gezamenlijke praktijk wordt gekenmerkt door een activistische, onderzoekende houding ten aanzien van architectuur en – in hun woorden – de ontkenning daarvan. Sinds twee jaar werken ze daarbij rondom het thema eigenaarschap en collectiviteit. Voor het project 'A Glossary of Social Welfare Domesticities', dat centraal staat in hun plan, ontwikkelen ze alternatieve architectuurvoorstellen gebaseerd op een krimpscenario. Ze doen dit onder andere aan hand van case studies in Tirana en Taipei. In Taipei richten ze zich op een nieuwe laag in de stad die is ontstaan als gevolg van de vele rooftop extensions. In Tirana zullen ze zich bezighouden met de onaffe huizen en hoe die ruimte kunnen bieden aan een gezamenlijke infrastructuur. Het onderzoek komt samen in Rotterdam als onderdeel van 'Stad in de Maak'.
Milou Voorwinden

Milou Voorwinden

Milou Voorwinden is een textielontwerper afgestudeerd van ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten met een Bachelor in Product Design. Ze is gespecialiseerd in het weven en ontwikkelen van driedimensionale structuren en producten op het weefgetouw. Komend jaar richt Voorwinden zich op de ontwikkeling van een drietal projecten: ' Seamless Shape Weaving', 'Leno Weaving' in Architecture' en '3D Velvet Weaving'. In de projecten gaat Voorwinden oude weeftechnieken herontdekken, vernieuwen en toepassen met behulp van hedendaagse digitale middelen. De beurs biedt Voorwinden de mogelijkheid om vrij te werken en fundamenteel onderzoek te doen. Door zich te verdiepen in CAD/CAM software bouwt Voorwinden aan de professionalisering van haar praktijk. De resultaten zullen procesmatig zijn en zich niet uiten in eindproducten. Met behulp van een grafisch vormgever wil Voorwinden werken aan de identiteit en strategie van haar ontwerppraktijk.
Minji Choi

Minji Choi

Ontwerper Minji Choi studeerde in 2018 af aan de masteropleiding Contextual Design van de Design Academy in Eindhoven. De afgelopen jaren heeft Choi zich gericht op het culturele symbolisme van planten in relatie tot het stedelijke landschap. Hierdoor raakte zij gefascineerd door de paradoxale relaties tussen mensen en planten. Haar onderzoeken visualiseert de ontwerper in verschillende media, waaronder fotografie, video, publicaties en materiaalexperimenten. De media komen veelal samen in publieke installaties, waarin ze onze relatie tot natuur ondervraagt. Komend jaar ontwikkelt Choi het project 'The Dignity of Plants', waarin ze relaties tussen natuur, ethiek en visuele cultuur onderzoekt door het perspectief te verleggen van de mens naar dat van de plant. Het project bestaat uit twee casestudies, een op het gebied van endemische (planten die uitsluitend voorkomen op een afgesloten geografisch gebied) en een naar invasieve planten. In de casestudie over endemische planten, onderzoekt Choi de grenzen tussen het artificiële en natuurlijke door te analyseren hoe planten worden gedefinieerd en gecategoriseerd. De studie naar invasieve soorten, richt zich op de economische, ecologische en milieukundige interpretaties van plantinvasies. Het project krijgt uiting in een installatie, materiaalonderzoek en een serie publicaties. Choi laat zich tijdens haar ontwikkeljaar adviseren door ontwerper Simone Farresin (Studio Formafantasma), grafisch ontwerper Karel Martens en Jan den Ouden, ecologieprofessor aan de Universiteit van Wageningen.
Mirte van Laarhoven

Mirte van Laarhoven

Mirte van Laarhoven behaalde in 2017 haar Master aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam in de richting Landschapsarchitectuur. Komend jaar richt Van Laarhoven zich op de volgende stap in haar onderzoek naar 'landschapsvormers'. Dit zijn kleinschalige ingrepen die gezamenlijk een grote bijdrage leveren aan een gezond, klimaatadaptief en beleefbaar landschap. Ze ontwikkelt een ontwerpmethodiek met bijbehorend instrumentarium, dat niet uitgaat van het beheersen van, maar van het meebewegen met de natuur. Op deze manier wil ze een alternatief bieden waarin de dynamiek van de natuur centraal staat, in plaats van de functionele en economische landschapswaarde. Onder de noemer 'De Seizoensmodule' werkt Van Laarhoven samen met verschillende partners haar instrumentarium uit. De module omvat drie onderdelen, waarbij de seizoenen de leidraad vormen: 1. Veldproeven om te onderzoeken hoe er bij grootschalige landschappelijke opgaven beter geprofiteerd kan worden van natuurlijke processen. 2. Coschappen bij collega vormgevers om vaardigheden en perspectieven uit te wisselen. 3. Masterclass experimenten, om vrije ideeën te genereren. De resultaten worden gedurende het proces gecureerd tot een 'landschap aan experimenten'.
Nadine Botha

Nadine Botha

Nadine Botha studeerde in 2017 af aan de Master Design Curating & Writing van de Design Academy Eindhoven. Botha is een onderzoeker en houdt zich bezig met hoe ongeziene sociale, politieke, juridische, economische en culturele systemen onze objecten, lichamen, huizen, steden, technologieën, ervaringen en kennis, vormgeven. Haar praktijk brengt storytelling, curating, schrijven, performance, activisme, media-analyse en participatieve werkwijzen samen in tentoonstellingen, digitale media, performances, publicaties, workshops en journalistiek. Voor haar afstudeerproject, 'The Politics of Shit', traceerde Botha een onzichtbaar draagbaar toilet van Europese kampeerplekken, naar het front van de sanitaire protesten in informele nederzettingen in Kaapstad. Tijdens het ontwikkeljaar geeft ze vervolg aan dit project in de vorm van een audiovisueel platform. Middels interviews met ontwerpers, onderzoekers en wetenschappers en archiefonderzoek naar verhalen als hulpmiddel voor bevrijding en onderdrukking, gaat ze op zoek naar antwoorden. Naast het platform presenteert ze haar project op de DEFSA Conference in Zuid-Afrika.
Nastia Cistakova

Nastia Cistakova

Ontwerper Nastia Citakova heeft in 2016 de bacheloropleiding Illustratie afgrond aan de HKU. In haar praktijk beweegt ze zich tussen toegepast en autonoom ontwerp. Haar illustraties, animaties, videogames en andere uitingsvormen kenmerken zich door een focus op humor en absurdisme. Komend jaar gaat Citakova onder de noemer 'Bittere Ernst' onder andere een absurdistische videogame ontwikkelen over een roze aardappel die verlangt naar een spannender bestaan. Zingeving vormt hierin een belangrijk thema, alsook de interactie met publiek. Voor de ontwikkeling van de game wil Cistakova samenwerken met verschillende professionals, waaronder programmeur Paul Boelens en artistieke coaches, zoals Gioia Smidt en Max Kisman. Op deze manier beoogt de illustrator niet alleen haar stijl en methodiek verder te ontwikkelen, maar ook haar organisatievaardigheden. Verder gaat Citakova experimenteren met audio, publicaties en beeldverhalen en op zoek naar nieuwe manieren om de zichtbaarheid van haar praktijk te vergroten.
Nikola Knezevic

Nikola Knezevic

Multimediakunstenaar en scenograaf Nikola Knezevic is in 2015 afgestudeerd aan The School of Missing Studies, een tijdelijk masterprogramma van het Sandberg Instituut. Zijn werk richt zich op de relatie tussen lichaam, geest en omgeving. In de afgelopen jaren heeft Knezevic een eigen methodiek ontwikkeld waarbij hij technieken uit zijn ontwerp- en architectuurachtergrond gebruikt. Daarnaast maken choreografen een intrinsiek onderdeel uit van het ontwerpproces. Komend jaar wil hij zijn praktijk verder ontwikkelen door meer te leren over ruimte vanuit het perspectief van de danser en andere performatieve prakijken. Hiernaast gaat hij experimenteren met stuntmateriaal binnen de context van het theater en live performance. Centraal staat de vraag op welke manier het lichaam de ruimte transformeert.
Ottonie von Roeder

Ottonie von Roeder

Ottonie von Roeder studeerde in 2017 af aan de masteropleiding Social Design van de Design Academy Eindhoven. Daarvoor behaalde ze haar Bachelor graad aan de Bauhaus University in Weimar. Von Roeder positioneert haar praktijk in het veld van speculatief- en critical design. In haar ontwikkelplan bouwt Von Roeder verder op haar project 'Post-Labouratory', waarvoor ze in 2017 genomineerd werd voor de Gijs Bakker Award. Het project behelst een fictief bureau waar participanten actief kunnen meedenken en meewerken aan de ontwikkeling van technologie voor de automatisering van hun werk. Tegelijkertijd worden ze begeleid in het vinden van betekenisvolle bezigheden voor de periode na hun werk. Het komende jaar wil Von Roeder het project verder ontwikkelen. Ze richt zich daarbij specifiek op het werk in de creatieve sector.
Post Neon

Post Neon

Post Neon is een multimedia ontwerpstudio opgericht door Jim Brady en Vito Boeckx. Beiden zijn in 2018 afgestudeerd aan de bacheloropleiding Man and Communication van de Design Academy Eindhoven. De studio richt zich op het ontwikkelen van digitale ervaringen, installaties en video's. In hun praktijk onderzoekt het duo alternatieve realiteiten, fysieke en niet-fysieke ruimtes met als doel de digitale scheiding tussen maker en beschouwer te doorbreken. Komend jaar willen de ontwerpers hun positie als 3D content specialisten versterken en hun onderzoek naar de toepassing van creatieve technologie voortzetten. Ze gaan projecten ontwikkelen op het gebied van 'Virtual Content for News', 'Virtual Textiles', 'Data' en 'Future Interfaces'. Voor het eerste project, dat zich focust op het integreren van Augmented Reality in meer traditionele media, beoogt Post Neon een samenwerking op te zetten met ofwel NRC Handelsblad, Volkskrant of Vice. Daarnaast gaat het duo samen met bestaande partners, als Innovation Space Eindhoven, Impakt Festival en de Effenaar een installatie bouwen. De grondslag voor de installatie is een onderzoek naar hoe technologie ons gedrag en waarnemingen beïnvloeden. Middels fysieke interacties, zoals handgebaren kan het publiek de augmented realtity manipuleren. Tot slot betrekken de ontwerpers verschillende mentoren op het gebied van professionalisering bij hun ontwikkeling, zoals presentatrice Isolde Hallensleben, die Post Neon begeleidt in het versterken van hun communicatievaardigheden.
Rosita Kær

Rosita Kær

Ontwerper, verzamelaar en onderzoeker Rosita Kær is in 2018 afgestudeerd aan het DesignLab van de Rietveld Academie. Haar interdisciplinaire praktijk zoekt de grenzen op van het ontwerpveld, van textiel, keramiek en ruimtelijk ontwerp tot archeologie en museologie. Komend jaar wil Kaer haar ontwerpmethodiek, waarin ze intuïtie verbindt met analyse, verder verdiepen. Als uitgangspunt neemt ze de textielverzameling van haar grootmoeder die in 2018 is verkocht en daardoor uit elkaar is gevallen. Wat betekent het wanneer de verzamelaar of collectie verdwijnt en welke creatieve potentie heeft dit? Kær gaat voor haar onderzoek in gesprek met verschillende professionals uit uiteenlopende disciplines, variërend van conservatoren, archiefbeheerders tot kunstenaars. De uitkomsten presenteert zij in een tweedelige tentoonstelling die gepaard gaat met een publicatie.
Sae Honda

Sae Honda

Ontwerper Sae Honda is in 2016 afgestudeerd aan de sieradenafdeling van de Gerrit Rietveld Academie met een Bachelor in Art & Design. Haar interdisciplinaire praktijk richt zich op sieraden, objecten, installaties en print, waaronder publicaties. Als sierraadontwerper gaat het Honda niet zozeer om het bewerken van zeldzame of kostbare materialen, maar om de intrinsieke waarde die ontstaat wanneer een materiaal met aandacht wordt behandeld. Ze positioneert zich zodoende als een soort hedendaagse archeoloog die middels semi-fictieve verhalen onze huidige waardesystemen ondervraagt. In het ontwikkelplan staat haar onderzoek naar artificiële materialen met een natuurlijk uiterlijk centraal. Dit krijgt vorm in twee projecten 'Parallel Botany' en 'Faux Pearl'. Voor het eerste project gaat Honda onder andere studiebezoeken doen in Chinese fabrieken nabij de Parel Rivier in de provincie Guangdong. Hier bevinden zich veel fabrieken waar artificiële planten worden geproduceerd. Voor het tweede project reist ze af naar Osaka, Japan. Hier gaat ze een fabriek bezoeken waar imitatieparels worden ontwikkeld. Tot slot gaat Honda aandacht besteden aan haar ondernemerschap. Voor het opzetten van een sieradenlabel vraagt Honda expertise bij consultants waaronder Jantje Fleischhut, Sarah Mesritz en Linda Beumer Ze beoogt de resultaten van haar ontwikkeljaar te presenteren in Gallery Doux Poison (Tokyo) en de Dutch Design Week 2020 in Eindhoven.
Said Kinos

Said Kinos

Said Kinos is grafisch vormgever en street-art kunstenaar. Kinos maakt in zijn ontwerppraktijk veel gebruik van collage-, schilder- en assemblagetechnieken. De afgelopen jaren heeft Kinos zich commercieel kunnen ontwikkelen in de street-art scene met opdrachten in Londen, Denver, Los Angeles en Guangzhou. Met behulp van de beurs talentontwikkeling wil Kinos zijn praktijk inhoudelijk verder ontwikkelen. Door middel van een werkbezoek bij Felipe Pantone beoogt Kinos zijn kennis met betrekking tot VR, AR en 3D videomapping te verdiepen. Deze vormen van media gaan Kinos helpen om zijn bestaande praktijk een extra dimensie te geven. Kinos beoogt met deze bijkomende vaardigheden interactieve installaties te gaan maken. Deze installaties zullen worden gepresenteerd tijdens Typograffic Circle 2020 en POWWOW!
Seokyung Kim

Seokyung Kim

Seokyung Kim heeft in 2018 haar bacheloropleiding Man and Communication aan de Design Academy Eindhoven afgerond. Zij is geïnteresseerd in hoe gereedschappen en machines ons denken beperken, maar ook onze creativiteit en verbeeldingskracht kunnen versterken. Hierbinnen richt ze zich op algoritmen die menselijke taal gebruiken, zoals machinevertalingen, stemherkenning en automatische correctie. Komend jaar ontwikkelt Kim het project 'Alternative of Alternative Literature', een vervolg op haar afstudeerproject 'The Trace of Sorrow', een dichtbundel over verdriet gemaakt door een algoritme. 'Alternative of Alternative Literature' is geïnspireerd op literaire werken van de Poolse science fiction schrijver Stanislaw Lem (1921-2006). Het project is een samenwerking tussen 'menselijke' schrijvers en machine-algoritmen (Natural language processing algorithm). Kim ontwerpt een systeem waarin de twee entiteiten met elkaar kunnen communiceren om zo de relatie tussen mens en machine bloot te leggen. De uitkomst van het project beperkt zich niet tot tekst. Dit geeft Kim de mogelijkheid grafisch te experimenteren. De ontwerper laat zich adviseren specialisten in algoritmen en graphic design, waaronder Ryan Pescatore Frisk en tekstschrijver Martin Rombouts. De uitkomsten worden gepubliceerd via editorials en een webplatform. Daarnaast organiseert Kim workshops met het publiek om het proces te delen.
Sissel Marie Tonn

Sissel Marie Tonn

Kunstenaar Sissel Marie Tonn-Petersen behaalde in 2015 haar Master in Artistic Research aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunst Den Haag. Haar interdisciplinaire praktijk beweegt zich tussen artistiek en ontwerpend onderzoek, participatie, events en educatie. Ze is geïnteresseerd in de complexe manieren waarop wij als mensen ons verhouden tot onze omgeving en bestudeerd deze relaties vanuit verschillende perspectieven. Komend jaar richt Tonn-Petersen zich op drie projecten, waarin ze subjectieve ervaringen van door de mens veroorzaakte ecologische verstoringen wil overbrengen op een publiek. Middels de projecten beoogt ze haar methodiek verder te ontwikkelen. Hiernaast is Tonn-Petersen van plan om haar praktijk beter te positioneren binnen de ontwerpsector en deze verder te professionaliseren. Hiervoor gaat zij onder andere een mentorschap aan met Jan Boelen. Daarnaast schakelt zij een producent in die haar begeleidt in het versterken van haar professionele strategie.
Suk Go

Suk Go

Suk Go heeft de Master Information Design in 2018 behaald aan de Design Academy in Eindhoven. Voor haar afstudeerproject heeft zij onderzoek gedaan naar het verbeelden van geluidsinformatie en data met behulp van digitale media, zoals video, infographics, Arduino en algoritmes. Door Koreaanse volksmuziek te visualiseren via deze moderne technieken, maakt zij oude tradities relevant voor huidige generaties, maar ook andere culturen. In haar ontwikkelplan concentreert Go zich op de toepassing van deze methodiek op traditionele Nederlandse volksmuziek. Tegelijkertijd wil zij het onderzoek naar Koreaanse muziek voortzetten. Het plan is verdeeld in drie fasen: 1. De verdieping van de visualisatie van traditionele Koreaanse muziek 2. De toepassing op de Nederlandse cultuur 3. De modernisering van traditie en het delen van cultuur. Hiermee wil ze haar methodologie verder ontwikkelen en op basis van algoritmen onderzoeken of die ook toepasbaar is op andere traditionele muziek. Voor het project gaat Go samenwerken met Nederlandse muzikanten Samuel Vriezen en Cynthia Van Eijden en het Platform Nederlandse Folklore. Uiteindelijk wil ze samen met dit platform de eindresultaten presenteren in Nederland en Zuid-Korea.
Telemagic

Telemagic

Cyanne van den Houten, Roos Groothuizen en Ymer Kneijnsberg vormen samen het 'art-meets-technology' collectief Telemagic. Van den Houten en Groothuizen zijn in 2017 afgestudeerd aan de masteropleiding Design van het Sandberg Instituut in Amsterdam. Kneijnsberg behaalde in 2015 zijn bachelordiploma Grafisch Ontwerp aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Telemagic omschrijft zichzelf als een open media-lab, waarin zij samen met andere makers, manifestaties, kunstinterventies en tools ontwikkelen die de mysteries rondom hedendaagse media en technologie in kaart brengen en ontmantelen. Komend jaar wil het collectief hun werkconcept verder uitwerken en structureren. Ook het lab toegankelijker maken in fysieke en digitale vorm staat op de agenda. Hiervoor zetten ze twee projecten op: '1 Euro Cinema', een cineastisch orakel dat willekeurig een film kiest na het inwerpen van een euro en 'Concert in A.I. / AlgoRhytmics', een concert op basis van een zelflerend algoritme dat in staat is muzikale harmonieën te componeren en dirigeren. Hiernaast doen ze onderzoek naar een A.I. muzieklabel, een autonoom platform waar Telemagic artificiële intelligentie, muzikanten en filmmakers bijeenbrengt onder de noemer: 'Wat is het label van de toekomst?'.
Tereza Rullerová

Tereza Rullerová

Tereza Rullerová behaalde in 2018 haar Master aan de Design Department van het Sandberg Instituut. Met een achtergrond in kunst en grafisch ontwerp, richt ze zich op 'performative design', een praktijk waarin verbeelding, speelsheid, actie, 'eventness' (locatie en tijd specifiek) en ontwerp (object en oppervlak) samenkomt. Komend jaar focust Rullerová zich op de ontwikkeling van conceptuele en praktische vaardigheden die haar individuele projecten overstijgen. Dit doet ze langs vier lijnen: 1. 'Sonificatie', hierin leert de ontwerper hoe ze haar eigen geluiden kan produceren in samenwerking met geluidskunstenaar B. J. Nilsen. Dit traject krijgt onder andere uiting in een installatie voor Tetem. 2. 'Connecting with Commercial Mechanisms', hierin richt ze zich op het beter positioneren van haar praktijk, in het bijzonder in een meer commerciële context. Binnen deze lijn werkt Rullerová samen met Vlisco. Voor hen ontwikkelt ze een workshop voor jonge ontwerpers uit Abidjan (Ivoorkust). Hierin wordt Rullerová begeleid door ontwerper Annelys de Vet. 3. 'Investigating Underrepresented Perspectives', een studiereis naar de oostkust van Amerika, om beter grip te krijgen op Eurocentrische perspectieven en hoe technologische/maatschappelijke kaders gedrag beïnvloeden. Ze gaat hier verschillende theoretici en specialisten op het gebied van social design ontmoeten, zoals kunstenaar Chino Amobi, programmeur Lauren McCarthy en ontwerper Myra Margolin. Een mogelijke presentatieplek van de bevindingen is een panel tijdens Sonic Acts Academy in 2020. 4. 'Experimenting and Prototyping', hierin gaat Rullerová een performatieve design toolkit ontwikkelen en experimenteren met game design, publieksparticipatie en interactie. Resultaten worden getoond in het Nieuwe Instituut en Design Museum London (onder voorbehoud).
Thorwald ter Kulve

Thorwald ter Kulve

Thorwald ter Kulve ronde in 2015 de Master Design Products af aan de Royal College of Art. Daarvoor volgde hij een bacheloropleiding aan Artez, eveneens gericht op product design. Ter Kulve heeft als ontwerper inmiddels een praktijk opgebouwd in Londen. In zijn ontwikkelplan beschrijft hij de wens om met zijn ontwerpen een breder, geëngageerd publiek te bereiken. Ter Kulve kijkt daarbij kritisch naar het gebruik en invulling van de openbare ruimte in stedelijke omgevingen. Daarbij zoekt hij in het ontwikkelplan ruimte voor artistieke ontwikkeling en intellectueel verdieping van zijn praktijk om zodoende tot een meer gebalanceerd portfolio te komen. De aanvrager wil het ontwikkeltraject benutten voor het uitvoeren van een aantal publieke interventies. Als voorbeeld noemt hij de ontwikkeling van 'The Augmented Refraction Device' (ARD); een machine die de energie van de zon oogst en een plas regenwater in een regenboog veranderd. Hij stelt zich daarbij de vraag: 'Kan ik een object ontwerpen waarmee ik mensen met verschillende culturele achtergronden en opvattingen kan verbinden?'
Tijs Gilde

Tijs Gilde

Tijs Gilde ontving in 2015 zijn masterdiploma Man & Activity van de Design Academy in Eindhoven. In de omschrijving van zijn ontwerpmethodiek staat Gilde stil bij het experiment dat hij opzoekt door materialen in een nieuwe, vreemde context te plaatsen. Zo benaderde Gilde aluminium jaloezieën als een vorm van textiel en paste hij siergrindtechnieken uit de vloerindustrie toe op ruimtelijke objecten. In het ontwikkelplan gaat Gilde dieper in op het project 'Cored'. Het project draait om het gebruik van technieken en materialen uit de textielindustrie, die een symbiose aangaan met constructieve materialen. Hierbij wordt de kern van een touw vervangen door een ander materiaal zoals hout of metaal. In het project wordt nauw samengewerkt met de industrie wat zal resulteren in een collectie meubelen die op de Salone del Mobile worden gepresenteerd. Naast het project 'Cored' staat een residency gepland in Taiwan waar Gilde een duurzaam alternatief wil ontwikkelen voor het gebruik van epoxy in zijn werk.
Tomo Kihara

Tomo Kihara

Tomo Kihara behaalde in 2018 zijn Master Design for Interaction aan de TU Delft. Zijn bacheloropleiding volgde hij aan de Keio University in Tokio. Kihara is gestart met een eigen praktijk als ontwerper en is als freelance researcher verbonden aan De Waag in Amsterdam. De ontwerper karakteriseert zijn projecten als 'playful interventions' en begeeft zich met zijn werk op het snijvlak van game- en social design. In zijn projectplan omschrijft Kihara twee onderwerpen waarnaar hij onderzoek wil doen. Het eerste is het stimuleren van het doneren van geld. Hiervoor ontwikkelt de aanvrager verschillende proof of concepts op basis van game principes. Ook werkt Kihara aan een nieuwe versie in de vorm van een toolkit, van zijn project 'Street Debater'. Het tweede onderwerp is het bevragen van algoritmisch bepaalde keuzes door machines. In samenwerking met het AI Culture Lab van De Waag wordt een project opgezet onder de naam 'Discrimination Machines' dat de verborgen biases van AI systemen onthult. Het onderzoek krijgt vorm in een installatie. Voor de presentatie wordt gekeken naar Ars Electronica en de Dutch Design Week.
Ward Goes

Ward Goes

Ward Goes is afgestudeerd aan de Design Academy in Eindhoven in de richting Man and Communication en heeft in 2016 zijn Master Culturele Antropologie behaald aan de Universiteit Utrecht. Komend jaar richt hij zich op het inbedden van zijn praktijk in het vakgebied tussen ontwerp en journalistiek. Dit doet Goes aan de hand van het thema 'objectiviteitsregimes in de journalistiek en het publieke debat'. Het thema raakt aan verschillende kwesties die spelen in de hedendaagse journalistiek, zoals de rol van (sociale) media in beeldvorming, evenwichtige verslaggeving en de veranderende definitie van feitelijkheid. Binnen drie parallelle trajecten gaat hij hiermee aan slag: 1. Veldwerk. Hierin staat de ontwikkeling van methodiek en concept centraal. Zijn adviseur in dit traject is Tamar Shafrir. Ook gaat hij samenwerken met drie ontwerpers, waaronder Irene Stracuzzi. 2. Dialoog. Hierin focust Goes zich op professionalisering en dialoog. Hij gaat twaalf gesprekken voeren met gevestigde ontwerpers, typografen, onderzoekers en curatoren met als doel zijn praktijk sterker te positioneren. Hij wordt hierin geadviseerd door Isolde Hallensleben. 3. Rapportage. Dit traject is gericht op zichtbaarheid. Hierin worden de resultaten van de twee eerdere trajecten ontsloten in een presentatie en publicatie. Adviseur hierbij is onder andere Freek Lomme, directeur van Onomatopee.
Yavez Anthonio

Yavez Anthonio

Yavez Anthonio is fotograaf en regisseur. Met behulp van beeld wil hij verhalen vertellen van minderheden die relevant, origineel en waardevol zijn. Na het behalen van een Bachelor in Advertising aan de Willem de Kooning Academie, is Anthonio zich gaan richten op fotograferen en regisseren voor verschillende merken en magazines. Nu wil hij zijn vrije werk verder ontwikkelen en zijn praktijk professionaliseren. In zijn ontwikkelplan staat het project 'Rivers of January' centraal. Hiervoor gaat Anthonio de jongerencultuur in Rio de Janeiro vastleggen en documenteren. Een stad die volgens hem in het huidige politieke klimaat veel problemen, maar ook veel mooie kanten kent. Hij wil verschillende workshops gaan volgen om zijn technische vaardigheden verder te ontwikkelen. De resultaten van 'Rivers of January' worden gepresenteerd tijdens tentoonstellingen in Rio de Janeiro en São Paulo.
Anouk Beckers

Anouk Beckers

'Dissolving the Ego of Fashion' was voor ontwerper Anouk Beckers vooral een bevestiging van haar visie. Het boek van Daniëlle Bruggeman beschrijft de rol die mode speelt binnen sociale, ecologische en politieke ontwikkelingen in onze huidige maatschappij. In haar eigen werk zet Anouk vragentekens bij het geldende modesysteem. Ooit begonnen aan een studie psychologie studeerde ze uiteindelijk af aan de Amsterdamse Gerrit Rietveld Academie in zowel TxT (textiel) als mode. 'Tijdens mijn studie al startte ik mijn onderzoek naar een alternatieve werkvorm, op zoek naar een manier waarop ik met trots kan zeggen dat ik mode maak.'

Inmiddels richt ze zich op de introductie van een meer persoonlijk bij haar passend model van mode maken. Het voorlopige hoogtepunt van deze werkwijze is haar project 'JOIN Collective Clothes' (JOIN), waar mode collectief wordt gemaakt. 'Ik wil als ontwerper niet op mijn eigen eilandje zitten, maar juist andere professionele én non-professionele makers betrekken bij het proces om kleding te ontwerpen en maken.' Hierbij zoekt ze bewust naar een andere hiërarchische structuur.

Zelf noemt Anouk JOIN een 'manual', een handleiding voor een modulair kledingsysteem, die zowel on- als offline wordt verspreid als een open source-systeem. 'Deze handleiding zie ik als een uitnodiging voor iedereen om zelf aan de slag te gaan met een alternatieve werkwijze voor 'fast fashion'. Een methodiek die professionele ontwerpers uitdaagt, maar tegelijkertijd ook toegankelijk is voor mensen die nog nooit iets met het maken van kleren te maken hebben gehad.'

JOIN is speels, inclusief en collectief. Denk aan een soort van moderne 'quilting', waarbij vier verschillende onderdelen van een kledingstuk (top / J, mouw / O, broekspijp / I, pand van een rok / N) elk door iemand anders worden gemaakt om later te worden samengevoegd tot één kledingstuk. Anouk noemt het zelf 'spelen met materiaal en vorm'. Ook belangrijk: het materiaal waarmee wordt gewerkt, is gedoneerd of zijn 'leftovers', want ook over dat deel van het proces is nagedacht.

Tot nog toe heeft ze vier workshops georganiseerd op diverse plekken in Nederland bij instellingen als De Appel in Amsterdam en Museum Arnhem. 'Als je zelf ervaart dat je een hele dag bezig bent een mouw te maken, is de kans groot dat je kritischer kijkt wanneer je iets wil kopen dat massa-geproduceerd is.' Ze heeft JOIN ook bij zeven (mode)-ontwerpers neergelegd met de vraag binnen het modulaire systeem van JOIN Collective Clothes een kledingstuk te maken.

Met deze aanpak bevraagt Anouk Beckers ook haar eigen positie als ontwerper. 'Ik geef een voorzet, maar het fysieke proces en de uitkomst gooi ik helemaal open. Mijn ontwerpmethode reageert op een speelse manier op mode als systeem, door een ander perspectief aan te bieden en ook een dialoog.' Zo worden vragen gesteld over wie de makers zijn binnen de mode of hoe de waarde van onze kledingstukken wordt bepaald. Hoe we bepalen of iets mooi of lelijk is? Of hoe verhouden de ontwerper, de maker, en het kledingstuk zich tot elkaar? De schoonheid van een collectieve collectie zit niet alleen in de fysieke uitkomst, maar ook in het proces erachter. 'Juist dat bepaalt in mijn ogen de uiteindelijke waarde van de kledingonderdelen binnen mijn project. Door dit hele proces wordt iets van waarde gecreëerd. Hierdoor heeft het sowieso altijd een schoonheid, het kan gewoon niet lelijk zijn. Dat is zo anders dan een product uit het fast fashion-circuit.'

Tekst: Jessica Gysel
Arif Kornweitz

Arif Kornweitz

Zo'n vijftig jaar geleden verleenden humanitaire organisaties in geval van een ramp ter plekke hulp in de vorm van voedselverstrekking en medische zorg. Tegenwoordig werken zij daarnaast op afstand met technologie zoals satellieten surveillance en biometrische databanken. De effecten van deze praktijken zijn niet altijd te overzien en de ontwikkeling van ethische standaarden wordt belemmerd.

In de geschiedenis heeft de mens altijd gereageerd op nieuwe technologie door nieuwe ethische vragen te stellen. Het lijkt alsof de ontwikkeling van ethische beginselen per definitie achter die van technologische objecten aanloopt. Binnen zijn onderzoek vraagt Arif Kornweitz zich af waar de grens ligt tussen ethiek en technologie, en hoe dit verbonden is met de ontwerppraktijk. Wat gebeurt er als we ethiek beschouwen als een interface om technologie te gebruiken?

Arif volgde een bacheloropleiding in literatuurtheorie, conflictstudies en communicatiewetenschap, en behaalde daarna zijn master in Conflict Resolution and Governance en politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Voor zijn afstudeerscriptie deed hij onderzoek naar humanitaire organisaties die surveillance technologie en de data die daaruit voortvloeien inzetten als bewijs voor de schending van mensenrechten. Maar na publicatie zijn deze data nog moeilijk te controleren. Daarnaast is het de vraag welke rol technologie speelt als 'objectieve transmitter'. Een bewijsstuk heeft vaak pas betekenis als iemand het bijbehorende narratief construeert.

Als docent bij de afdeling designLAB van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam vertaalde Arif Kornweitz zijn huidige onderzoek naar een les over objecten zonder duidelijke grenzen en fluïde noties van objecten. Daarnaast gaf hij meerdere lecture performances als uiting van zijn onderzoek, bijvoorbeeld over het fenomeen 'function creep', waarin data worden ingezet voor andere doeleinden dan oorspronkelijk bedoeld of de functie van een technologisch object onbedoeld wordt uitgebreid. Zowel de werkwijze van humanitaire organisaties als de data die zij verzamelen zijn aan function creep onderhevig.

Tekst: Manique Hendricks
Arvid & Marie

Arvid & Marie

Ondanks het feit dat wij als mensheid dankbaar gebruik maken van technologische ontwikkeling, zijn wij hier ook vaak kritisch over. Er wordt vaak gesproken over een strijd tussen mens en machine: denk bijvoorbeeld aan hedendaagse discussies over kunstmatige intelligentie. Arvid & Marie richten zich in hun gelijknamige ontwerpstudio op deze complexe relatie tussen mens en technologie en combineren technologische expertise met kritisch denken. Vanuit de overtuiging dat er ooit een ontwikkelde vorm van kunstmatige intelligentie zal zijn, zetten zij in op samenwerking in plaats van te speculeren over wie zal domineren.

Wij zijn als mensheid gewend om technologische ontwikkelingen enkel te bekijken vanuit menselijk perspectief. Nagenoeg alles wat wij ontwerpen is gericht op onszelf. Arvid & Marie willen dit ongebalanceerde wereldbeeld nuanceren. Vanuit deze gedachte ontwerpen zij artistieke en alternatieve concepten om het grote publiek te bewegen en aan te zetten tot kritisch nadenken. Het onderzoek naar de verhoudingen tussen mens en technologie staat hierin centraal. In vele gevallen leidt dit tot tastbare objecten, zoals een autonome frisdrankmachine, genaamd Symbiotic Autonomous Machine (SAM). Zonder menselijke interventie is SAM volledig in staat zijn productieproces te beheersen en de prijs van de frisdrank te bepalen.

Arvid & Marie bevinden zich nu in China waar duidelijk een andere kijk op technologie heerst. Aziaten staan veel meer open voor technologische ontwikkeling. In samenwerking met een Chinese partij ontwikkelen ze een massagestoel die wordt voorzien van kunstmatige intelligentie en expressief vermogen genaamd 'Full Body Smart Automatic Manipulator'.

Zeker als zij interactieve machines ontwerpen kan expressief vermogen niet ontbreken. Het gebruik van geluid is erg belangrijk voor hun projecten, het is hét middel om de emotionele lading van de interactiviteit vorm te geven. De 'stem' van de machine is van essentieel belang voor de uiteindelijke beleving! 'We houden ons bezig met een breed scala aan projecten, maar we grijpen wel vaak terug naar geluid. Het implementeren van geluid in onze technologisch ontwerpen is iets wat we vaker gebruiken voor langdurige projecten. Op de wat kortere termijn of tussentijds kunnen we ons onderzoek op muzikale wijze presenteren, het zijn een soort informatieve concertjes! Onder de naam Omninaut zijn wij bezig een EP samen te stellen, gebaseerd op (video)opnames samen met een diverse groep artiesten.'

Naast het ontwerpen, willen Arvid & Marie het debat aangaande kunstmatige intelligentie democratischer invullen. De ontwikkeling van kunstmatige intelligentie is vooralsnog voorbehouden aan grotere techbedrijven. 'Als echte kunstmatige intelligentie wordt gecreëerd zit daar zoveel ethiek achter dat we dit met zijn allen dienen te bepalen in plaats van dat dit achter gesloten deuren plaatsvindt, ver weg van het grote publiek. Iedereen zou een bijdrage moeten kunnen leveren! Enerzijds omarmen wij de vooruitgang, en anderzijds schuwen we dat technologie ons zal gaan overheersen. Waarom zouden we daarvan uitgaan? Laten we de machines een kans geven om ons te leren 'kennen' en vice versa. Op deze manier kunnen mens en technologie een manier vinden om naast elkaar te bestaan én kunnen de voorwaarden voor een sociaal 'contract' van verdere blijvende ontwikkeling worden voorzien.'

Arvid & Marie typeren hun werk ook wel als design for non-humans. Vanwege hun ontwerpersachtergrond zijn ze gewend om met gereedschap een object te ontwerpen. In ontwerpstudio Arvid & Marie hanteren zij technologie als het 'gereedschap' om de samenleving van morgen te bevragen, begrijpen en vorm te geven.

Tekst: Giovanni Burke
Atelier Tomas Dirrix

Atelier Tomas Dirrix

Tomas Dirrix merkt op dat er binnen de hedendaagse architectuur weinig aandacht is voor de belevenis van een gebouw, maar dat het vooral gaat om vierkante meters en opbrengst. In zijn werk onderzoekt hij hoe dit kan veranderen. 'Een gebouw draait in eerste instantie om beschutting, maar is ook een uiting van traditie, cultuur en omgeving. Als je nu naar gebouwen kijkt, zie je een groot verlies van deze laatste waarden, doordat er op generieke wijze wordt gebouwd. Iedereen zou er kunnen wonen, ik mis het persoonlijke aspect!'

Tomas baseert zich in zijn werk op tegenstellingen die hij hanteert om zijn ontwerpmethodologie te ontwikkelen. Zo zet hij binnenruimte af tegen buitenruimte. De functie van een gebouw is naast beschutting namelijk ook het markeren van die overgang. Maar wat betekent die verhouding van oudsher en wat vandaag de dag? Het hoeft niet altijd om contrastvergroting te gaan, legt Tomas uit, maar meer om verdieping te geven aan het typeren van deze verhouding tussen twee uitersten.

'Wat ik ontwerp hoeft geen functionele architectuur te zijn. Eerder een soort verkenning van wat nog meer architectuur zou kunnen zijn. De ontwikkeling van deze “nieuwe architectuur” beperkt zich niet tot het bekijken van de eerder genoemde tegenstellingen, maar wordt ook voortgestuwd door het ontstaan van nieuwe bouwmaterialen. Wat betekent dit voor de vormen en mogelijkheden van toekomstige gebouwen?'

Vanuit deze werkwijze maakte Tomas een serie modellen, uiteenlopend van een multifunctionele muur (voorzien van ingebouwde tafel) tot een reusachtige ballon, die over een festivalpodium is te spannen. Het laatste zou je behalve als architectuur ook als kunstproject kunnen zien. Hij wisselt zijn onderzoekende werkzaamheden af met commerciële opdrachten. Ook hierin probeert hij de waarde van ontwerp te benadrukken. Zijn intrinsieke motivatie zit in het feit dat de door hem ontworpen modellen of ruimtes een groter publiek kan aanzetten tot gedachtes over hoe de nieuwe vormen van architectuur eruit zouden kunnen zien.

Omdat er zoveel expertise nodig is om een gebouw op te trekken, is samenwerking voor architecten onvermijdelijk. Zodra je het over materiaalgebruik hebt, heb je ambachtslieden nodig omdat zij dat verwerken en hier meer kennis over hebben. Maar dergelijke samenwerkingen zou je ook kunnen inzetten om op kleinere of onderzoekende schaal progressie te boeken, stelt Tomas. Op deze manier kun je grotere stappen nemen en je kunt elkaar uitdagen.

Een van de belangrijkste drijfveren voor Tomas Dirrix is mensen weer bewust te maken van magie! 'We mogen ons best verwonderen over de wereld waarin we leven, het gewone als vreemd zien of vice versa. Het zou mooi zijn als we de belevenis van een gebouw weer op waarde kunnen schatten.'

Tekst: Giovanni Burke
Bastiaan de Nennie

Bastiaan de Nennie

Contact vindt tegenwoordig met name plaats via digitale middelen en grenzen tussen het digitale en het fysieke lijken steeds meer te vervagen. We worden bovendien overspoeld met informatie en beeld, maar ook met een veelheid aan producten. Precies met deze gegevens werk Bastiaan de Nennie in zijn artistieke praktijk. Als kind leerde hij al op de basisschool met Photoshop om te gaan en raakte op deze manier gefascineerd door computers, codetaal en printplaten. In 2015 studeerde hij af van de Design Academy in Eindhoven in de richting Man and Mobility.

In zijn werk geeft Bastiaan bestaande producten en nieuwe functie door ze samen te voegen tot een nieuw object of sculptuur. Hij maakt 3D-scans van objecten of onderdelen daarvan die hij vervolgens toevoegt aan een inmiddels omvangrijke digitale database. Dit is de bron waar hij uit put voor het vormen van nieuwe objecten die hij leven inblaast met een 3D-printer. Als een reactie op een actie stopt hij dingen in de computer en extraheert hij daar vervolgens nieuwe dingen uit. Van fysiek naar digitaal naar fysiek.

Waar de meeste vakgenoten beginnen met een idee of concept, begint Bastiaan de Nennie met een product dat hij ontleedt en vertaalt naar een idee. Zijn signatuur kenmerkt zich door felle kleuren en herhalende vormen die op verschillende manieren terugkomen, zoals bijvoorbeeld het draaiwiel van een gehaktmolen, of een 3D-scan van zijn eigen voeten. Sommige vormen zijn duidelijk herkenbaar, andere compleet geabstraheerd in neonkleuren. Fysieke objecten zijn altijd zowel de start als het eindpunt. Daartussen vinden verschillende, vaak digitale aanpassingen plaats vanuit persoonlijke intuïtie. Ook handwerk en het gebruik en toevoegen van meer traditionele materialen zoals klei vinden hun weg in dit proces.

Als grenzenloos denker en gedreven ontwerper is De Nennie mateloos geïnteresseerd in het toepassen van nieuwe technologie of technieken binnen zijn praktijk, waarvoor hij de term 'phygital', een samenstelling van 'physical' en 'digital' bedacht. Hij wil zoals hij het zelf zegt: 'met zijn ene been in het heden' en met zijn 'andere been in de toekomst' staan. Hij wil zowel professionaliseren, werken aan zijn online presentatie, als nieuwe samenwerkingen aangaan. Uiteindelijk zou hij ook zijn eigen werk weer willen recyclen, bijvoorbeeld door oude bestaande sculpturen of producten om te smelten tot een nieuw werk.

Tekst: Manique Hendricks
Daria Kiseleva

Daria Kiseleva

Daria Kiseleva rent en wandelt graag om zich te ontspannen, maar is constant op zoek naar nieuwe visies. 'Ik heb veel tabs openstaan.' Ze is afkomstig uit St. Petersburg en heeft een achtergrond in grafisch ontwerp. Ze studeerde in 2014 af aan de Werkplaats Typografie van ArtEZ in Arnhem en was in 2015-16 onderzoeker aan de Jan Van Eyck Academie. In haar werk onderzoekt en creëert ze nieuwe vertelwijzen met gevonden en origineel materiaal. Het balanceert op de grens tussen ontwerp, kunst, popcultuur en technologie. Ze verkent het bewegende beeld als communicatiemiddel om te komen tot een format voor een beeldcultuur en maakt vooral digitale essays en films. Hierbij richt ze zich op de evolutie van digitale beeldtechnologie en grijpt ze terug op de eerste toepassingen daarvan in het vroege ruimteonderzoek, wetenschappelijke experimenten en de cinema. Ze put inspiratie uit sciencefictionscenario's en uit de observatie van manieren waarop technologieën in verschillende contexten worden gebruikt, van het leger tot de consumentenwereld. Ze gebruikt deze referenties in haar werk, dat gaat over voorspellen en een toekomstige – maar zich nu al voltrekkende – dystopie.

'Het is onmogelijk geworden om de realiteit te begrijpen zonder een begrip van de hedendaagse technologie, vooral beeldvormingstechnieken. Omdat ze een grote rol spelen in het vormen van de realiteit zelf. Bijvoorbeeld hoe algoritmes worden gebruikt om te voorspellen wie een grotere kans heeft een crimineel te worden. Of hoe een computer het verschil kan bepalen tussen vechten en omhelzen. Of wat 'normaal' is en wat niet. En hoe deze 'feiten' als verantwoording worden gebruikt om te koloniseren en manipuleren. Wat mij betreft gaat het niet over paranoia, maar over het blootleggen van verborgen mechanismen. Ik zie mezelf als visueel antropoloog', legt Daria uit. Met betrekking hierop is ook interessant wat Daria schrijft in haar meest recente digitale essay 'Field of Vision': 'In de huidige realiteit van een constante vlees aan beelden en signalen worden het begrip 'vision' en de mate van zichtbaarheid steeds relevanter. […] Ik vind het interessant om de twee definities van het woord 'vision' naast elkaar te zetten - gezichtsvermogen en het vermogen te voorzien wat er zal of kan gebeuren - in relatie tot het digitale beeld (en verwante technieken), door een prisma van de eeuwige tweedeling mens en machine, natuurlijk en kunstmatig.'

Daria Kiseleva werkt vooral met film, ze schrijft kritisch teksten en maakt publicaties in druk en online. 'Ik ben geïnteresseerd in de verschillende vormen van digitale cultuur, maar heb ook een voorliefde voor drukwerk.' Samen met grafisch ontwerpersduo Mevis & Van Deursen werkte ze aan catalogi, posters en beeldmerken voor kunstenaars en instellingen als Documenta 14 in Kassel en Museum Krefeld. Momenteel is ze als onderzoeker lid van de 'The Shock Forest Group' met Nicolás Jaar, in het kader van Chapter 2WO van Het Hem. 'Ik vind het onze verantwoordelijkheid als makers, gebruikers en onvrijwillig onbetaalde arbeiders, om de structuren van productie, representatie en consumptie te bestuderen, onthullen, hacken en bespelen, om zo de verborgen mechanismen bloot te leggen.'

Tekst: Jessica Gysel
Darien Brito

Darien Brito

Darien Brito kwam naar Nederland als klassiek violist om te studeren aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag, waar hij afstudeerde in Compositie en Sonologie, een bredere benadering van artistiek geluid, met de focus op elektronische en digitale middelen. Door te werken met computers en synthesizers kon hij zich bevrijden van de verplichting als componist, om stukken publiekelijk te laten uitvoeren. Hij bleef zich richten op compositie, maar verlegde zijn interesse naar programmeerbare apparaten, vrije esthetiek en geluidsstructuren. Hij benaderde elektronische muziek en programmeren grotendeels als autodidact, met eclectische referenties naar Bach, laat twintigste-eeuwse spectrale muziek en de huidige elektronische underground-muziek.

Darien kwam voor het eerst in aanraking met algoritmes bij zijn verkenning van generatieve systemen om te componeren, maar zag ze niet alleen als handige middelen om iets te creëren. Zijn behoefte om te begrijpen hoe ze werkten bracht hem van geluid naar visual graphics, waar de patronen die elk algoritme voortbracht eenvoudiger waren te analyseren. Uiteindelijk vielen zijn gelijktijdige experimenten in beide media samen in de vorm van generatieve audiovisuele werken, minder als voltooide composities dan als meeslepende liveoptredens. Maar het trok hem ook dieper in het domein van programmeren en computeralgoritmes. Hij ging zich steeds meer bezighouden met de technologie 'achter de schermen', met de culturele impact van kunstmatige intelligentie en de vragen die dit in bredere zin opwerpt voor de huidige maatschappij.

In die geest onderzoekt Dariens recente werk machinaal leren (ML). Het concept ML wordt tegenwoordig bekeken met een mengeling van fascinatie en vrees, omdat onze sociale infrastructuur ervan is doordrongen, van gezichtsherkenning en muziekaanbevelingen tot sollicitatieprocedures en ordehandhaving. Het is ook de basis voor denkbeeldige, zij het onwaarschijnlijke speculaties over intelligente en creatieve machines. Maar, er is een enorm kennisvacuüm ten aanzien van de werking van ML bij mensen die er dagelijks op talloze manieren mee te maken hebben. In de loop der jaren zijn de drijfveren van Darien Brito pedagogischer geworden. Hij wil niet het eindproduct van een leerproces laten zien. In plaats daarvan wil hij laten zien hoe een computer leert.

Daarvoor moest hij zichzelf leren om vanuit het niets een ML-algoritme te schrijven en vertrouwd te raken met geavanceerde wiskundige formules. Hij begon met een classificeerder, die bepaalt of een input tot een bepaalde klasse behoort of niet, en trainde die met behulp van een dataset die hij zelf had gemaakt. Het resultaat is een bibliotheek van ML-algoritmes voor het softwareprogramma Touch Designer. Zijn zelfverkregen toegepaste kennis deelt Darien via tutorials, met het uiteindelijke doel dat digitale gebruikers de hen ter beschikking staande technologie beter begrijpen en hun kritische en morele beoordelingsvermogen gebruiken.
Tekst: Tamar Shafrir
Elvis Wesley

Elvis Wesley

Hij heeft een lange blonde pony, die sluik over de bovenste helft van zijn gezicht valt en waar zijn neus net onder vandaan piept. Een brede glimlach van oor tot oor en een puntige kin. Zijn huid, tanden en haar zijn groen, geel, roze, blauw en paars. Dit fictieve karakter, genaamd Elvis Wesley, is het mysterieuze alter ego van ontwerper Wesley de Boer. De Boer ging na zijn opleiding Art & Design aan het Grafisch Lyceum in Rotterdam in 2016 studeren aan de Design Academy in Eindhoven, richting Man and Identity. Tijdens zijn afstuderen in 2017 kreeg Elvis Wesley wezenlijk vorm in 'The Birth of Elvis Wesley', een surrealistische animatiefilm die zich afspeelt in een andere kosmos vol met kleur en in elkaar overvloeiende vormen. De Boer maakte gebruik van VR-kleitechnieken en biedt daarmee een interessante kijk op de eindeloze mogelijkheden van 3D-modelleringssoftware.

Als kind zat Wesley de Boer vaak urenlang voor de televisie en keek hij het liefst naar cartoons. Terwijl hij werd opgezogen door de televisie, fantaseerde hij over de mogelijkheden van de eindeloze, kleurrijke werelden waarin de cartoons zich afspelen en bouwde hij sets met zelfgemaakte poppetjes en actiefiguren om deze niet bestaande omgevingen na te bootsen. De geboren Rotterdammer vindt de inspiratie voor zijn huidige praktijk nog altijd in cartooneske figuren en omgevingen en het creëren van nieuwe werelden buiten de bestaande realiteit. Daarnaast vormt social media een inspiratiebron voor hem en is hij vooral geïnteresseerd in de online representatie en expressie van identiteit.

Met Studio Elvis Wesley bouwt De Boer aan een persoonlijke en herkenbare vormentaal – gekenmerkt door felle kleuren en opmerkelijke, vaak artificiële vormen - en verwijst hij tegelijkertijd naar popcultuur en fictieve karakters en de representatie daarvan. De Boer ziet zijn werk als een kruisbestuiving van verschillende technieken en disciplines waarbij Elvis de verbindende factor speelt. Met Studio Elvis Wesley maakt De Boer naast veel vrij werk ook veel opdrachten voor verschillende opdrachtgevers, die uiteenlopen van festivals tot musea. Deze opdrachten vinden hun uiting in verschillende media zoals onder meer in animatie, sculptuur, fotocampagnes, maar ook producten als lampen en behang.

Dankzij het Stimuleringsfonds richt Wesley de Boer project voor project de wereld in waarin Elvis Wesley zich begeeft. Het liefst zou hij de leefomgeving van zijn alter ego willen uitbreiden naar een immersieve ervaring waar iedereen even kan voelen hoe het is om Elvis Wesley te zijn. Tussen tropische bloemen die gemaakt lijken te zijn van rode, paarse, gele en groene lichtbuizen, denderen monstertrucks in felle kleuren langs steden die zijn opgebouwd uit donkere kubussen met fluorescerende patronen en worden bewoond door rondvliegende drones. Op deze wonderlijke plek tussen fantasie en realiteit smelten visuele kunst en design samen en vervagen de grenzen tussen animatie, installatie, object en het digitale.

Tekst: Manique Hendricks
Gino Anthonisse

Gino Anthonisse

Dat Gino Anthonisse probeert – zoals hij zelf zegt – 'redelijk bewust het traditionele modepad niet te bewandelen' is een understatement. Hij studeerde in 2014 af als modeontwerper aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en werd direct gevraagd om als vierde persoon toe te treden tot Das Leben am Haverkamp, het Haagse kunstenaarscollectief bestaande uit Anouk van Klaveren, Christa van der Meer en Dewi Bekker. Zij studeerden een jaar eerder al af.

Voor Gino voelde het alsof hij in een warm bad terechtkwam. 'We delen dezelfde ideeën, en hoewel we als collectief opereren, heeft het collectief zelf geen vast profiel en is het feitelijk de optelsom van onze vier individuele praktijken.' Een werkruimte delen ze wel en ook nemen ze met elkaar grotere projecten aan om invulling te geven aan hun gezamenlijke passie: het onderzoeken wat mode meer kan zijn dan het vormgeven van het draagbare kledingstuk.

Ze begonnen via de gebaande paden: een eerste collectie, twee keer een showroom in Parijs, twee shows tijdens Amsterdam Fashion Week. Maar het modecircuit beviel niet zo: 'te veel ontwerpers, te veel collecties, veel te veel kleding'. Tijdens één van de showrooms organiseerde het collectief een aansluitende tentoonstelling en haalde hier zoveel voldoening uit dat ze besloten om de meer autonome kant van mode dieper te verkennen. Voor Gino betekende dit concreet werken in 2D, 'werken vanuit collages; compromisloos in vorm', om het vervolgens te vertalen naar het driedimensionale en te zoeken naar relevante links tussen mode en lichaam.

In 2017 deed Das Leben am Haverkamp een interventie bij het Zeeuws Museum in Middelburg. De aanleiding hiervoor was een make-over van de modezalen en de vraag hoe een nieuwe generatie bezoekers van het museum kijkt naar eeuwenoude gebruiksvoorwerpen die ze vaak nog nooit eerder hebben gezien. Das Leben am Haverkamp ontwikkelde een nieuwe serie objecten: kleding, maar ook accessoires en gebruiksvoorwerpen. Als uitgangspunt namen ze veertig voorwerpen uit de collectie die willekeurig werden uitgekozen aan de hand van een lijst. Elke tiende bezoeker kreeg de opdracht om de objecten te beschrijven, zonder expliciet te vertellen wat het object precies was. Het collectief creëerde vervolgens de veertig stukken, gebaseerd op deze beschrijvingen, zonder de originele objecten daadwerkelijk te hebben gezien. Het resultaat mondde uit in een groot 'curiosity cabinet' bestaande uit turquoise, rode, gele of roze voorwerpen – elke ontwerper had een eigen kleur – zoals een oversized vissersjas, een totem, een masker en een met gouden ballen beplakte turquoise baby. Het leverde ook een kleurrijk boek op met essays, documentatie van de show en met name ook veel procesbeeld.

Gino Anthonisse is in zijn werk voortdurend op zoek naar verwondering, steeds vanuit een andere invalshoek. Op dit moment werkt hij veel met voor hem nieuwe materialen, zoals gips, foam en keramiek, met de bedoeling toeschouwers te inspireren tot nieuwe ideeën, vragen op te roepen, en het publiek überhaupt aan het denken te zetten. Daarnaast werkt bij anderhalve dag per week op de kunstacademie in Den Haag, waar hij instructeur is op de textiel- en modewerkplaats. 'Ik ben geen docent, ik beoordeel niet maar help studenten, dat is voor mij een prettige positie'.

Tekst: Jessica Gysel
Irene Stracuzzi

Irene Stracuzzi

Als grafisch ontwerper is Irene Stracuzzi gefascineerd door cartografie. In haar werk concentreert ze zich op het effect van technische, esthetische en logistieke ontwerpkeuzes op grotere politiek, milieugerelateerde en sociale verschijnselen. Ze stelt namelijk vast dat er een tegenstelling bestaat tussen het ogenschijnlijk objectieve en op details gerichte ontwerpproces van plattegronden en het sterk politieke gebruik van plattegronden voor vooropgezette doeleinden. Door verzamelde cartografische data te materialiseren in een representatief medium, geven ontwerpers invloedrijke personen en instituten concrete instrumenten in handen om hun retorische claims te ondersteunen. Zo speelt de ontwerper een instrumentele rol in territoriale onderhandelingen.

Haar master Information Design aan de Design Academie Eindhoven rondde ze af met het project 'The Legal Status of Ice'. Uitgaand van het thema internationale grenzen in de Noordelijke IJszee omvatte dat project uiteindelijk een reeks thema's omtrent wettelijke kaders, dataverzameling, grenspolitiek, natuurlijke bronnen en klimaatverandering. De relevantie van haar onderzoek zorgde ervoor dat ze werd uitgenodigd voor uiteenlopende exposities, van 'Broken Nature' op de Triennale di Milano tot 'GEO–DESIGN: Alibaba' in het Van Abbemuseum.

Irene benadert haar interessegebieden door middel van een rigoureus researchproces dat bestaat uit historisch, wetenschappelijk, statistisch en technologisch onderzoek en een strikte ethiek inzake het verantwoord gebruik van datasets. Ze ziet grote mogelijkheden voor samenwerking met wetenschappers en experts op andere gebieden, vooral als hun urgente waarnemingen onopgemerkt blijven doordat ze slecht of helemaal niet worden gevisualiseerd. Ze richt zich met name op de klimaatcrisis door de desinformatie en het gebrek aan begrip onder het grote publiek als het wordt geconfronteerd met tegenstrijdige theorieën, gepolitiseerde wetgeving, geïsoleerde datapunten en anekdotische ervaringen. 'Ons onvermogen om collectief een voorstelling van klimaatverandering als systematisch wereldwijd fenomeen te maken, in plaats van een reeks losstaande lokale gebeurtenissen, kan verklaren waarom we weinig actie ondernemen of onze invloed op het milieu ontkennen. Design kan een belangrijke aanzet zijn tot mobilisatie.'

Tegelijkertijd is Irene zich zeer bewust van de rol van de ontwerper bij het overbrengen van data via concrete beelden of voorwerpen. Datapunten en -sets hebben op zich weinig betekenis, totdat er meer lagen worden aangebracht met andere gegevens, en de inhoud en esthetische keuzes die worden gemaakt bij het genereren van samengestelde datavisualisaties hebben grote invloed op de interpretatie ervan door de kijker. Sterker nog, haar Noordelijke IJszee-onderzoek laat zien dat plattegronden zelf grenzen mogelijk hebben gemaakt. In haar werk stelt Irene Stracuzzi zowel de zeer technische GIS-software als subjectieve beeldvorming aan de kaak met de gigantische opblaasbare wereldbol die ze maakte voor 'GEO—DESIGN', met feloranje oceanen en de wereld die op zijn kop staat, want de Zuidpool zit aan de bovenkant. Ze toont de niet-erkende invloed van de ontwerper op de wereldorde, net als de behoefte aan een zorgvuldige en onderbouwde benadering van data.

Tekst: Tamar Shafrir
Job van den Berg

Job van den Berg

Job van den Berg heeft een fascinatie voor industriële maakprocessen. Zijn passie hiervoor is opgewekt door een vrij alledaags object, namelijk stoelen. Hij staat in zijn vriendenkring ook wel bekend als de 'stoelenman'. Met meer dan honderd exemplaren bast zijn collectie letterlijk uit zijn voegen waardoor hij bepaalde exemplaren noodgedwongen bij vrienden heeft staan.

Dagelijks gaat hij aan de slag in zijn atelier dat vol staat met kasten, ruw industrieel materiaal, glazen bolwerken én uiteraard stoelen. Job ontwikkelt hier diverse objecten die zich op het grensvlak van industrie en kunst bevinden. 'Ik ben altijd op zoek naar een vondst op industrieel gebied, iets wat een grote impact kan maken. Als ik een nieuwe techniek ontwikkel waardoor het produceren van bijvoorbeeld een meubel meer mogelijkheden krijgt of er meer waarde aan kan worden toegekend, dan ben ik in mijn element.'

Naast werk dat meer op kunst is gericht, richt Job zich ook op het produceren voor een wat groter publiek. Zo heeft hij een houten kast ontworpen die hij in staal heeft laten persen, een samensmelting van industrieel en natuurlijk materiaal. Dit proces verhoogt de decoratieve waarde én tegelijkertijd ook de duurzaamheid. Het project, genaamd 'Metal Skin Cabinet', heeft Job geïnspireerd om een nieuw project te starten waarbij hij speelgoedauto's perst in een aluminium plaatje ter grootte van een ansichtkaart. Door deze en andere samenwerkingen met fabrikanten, labels en galeries wenst hij in de toekomst zijn werk steeds meer te delen met het grotere publiek.

Zijn projecten lopen door elkaar heen en ontwikkelen zich als onderdeel van een groter organisch en creatief proces. Hij wil zich niet alleen ontwikkelen als creatief maker en 'brand', ook wil Job een tiendaagse 'silent retreat' meditatiecursus volgen om zijn energie beter te leren kanaliseren. 'Mijn eigen ontwikkeling staat centraal dit jaar, ik leer graag nieuwe meditatietechnieken aan om de juiste focus te hebben voor mijn projecten. Maar daarvoor hoef ik echt niet per se helemaal naar het Verre Oosten hoor', grinnikt Job.

Gevraagd naar zijn ultieme einddoel als creatief maker, geeft Job van den Berg aan dat dit doel gaandeweg zal verschuiven, maar dat hij zich wil richten op ontwerp dat mensen inspireert en bijblijft. 'De waardering en de vrijheid die je geniet als bekend ontwerper vind ik bijzonder fijn, maar de impact van je werk is toch waardevoller dan bekendheid.'

Tekst: Giovanni Burke
Johanna Ehde

Johanna Ehde

Johanna Ehde mag dan werkzaam zijn in de wereld van het narcistische, door mannen gedomineerde, marktgerichte en in zichzelf gekeerde grafisch ontwerp, de kern van haar business, in alle betekenissen van het woord, wordt gevormd door een diepe, intrinsieke liefde voor het feminisme. Niet feminisme in de huidige modieuze betekenis, maar als doorleefde, dagelijkse praktijk en bovenal levenslange steunpilaar.

Johanna studeerde in 2016 af in grafisch ontwerp aan de Rietveld Academie in Amsterdam met 'Lady Taxi', een project over een gratis taxidienst voor hoofdzakelijk oudere vrouwen. De inspiratie hiervoor lag in Chantal Akermans' iconische film 'Jeanne Dielemans' en diens verbeelding van de beperkte ruimte die vrouwen hebben in onze samenleving. Lady Taxi werd het informele startpunt van Johanna's groeiende project '(Post-) Menopausal Graphic Design Strategies'. Dit project gaat over de opgave om praktische kennis te verwerven over de vraag hoe je een levenslange grafische ontwerppraktijk kan ontwikkelen en behouden ten overstaan van kwesties als leeftijdsdiscriminatie, seksisme en vrouwelijke gezondheid. Waarbij levenslang niet alleen verwijst naar een volledig werkzaam leven, maar ook naar gezonde, stimulerende en veilige arbeidsomstandigheden. Sommige titels op de site van het project spreken voor zich: 'The Woman Destroyed', 'They Will Never Sell Vaginal Dryness', 'All that is left is the killing of time', 'Legacy in Typography'.

Omdat samenwerking een cruciaal onderdeel is van een feministische ontwerppraktijk, werkt Johanna ook samen met Elisabeth Rafstedt, onder de naam Rietlanden Women's Office. In dit verband lezen, schrijven en publiceren ze twee dagen per week samen. 'We willen constructief en vol lust werken. Onze focus ligt vooral op de teksten die we publiceren. We proberen diep een tekst in te gaan, hem een paar keer te lezen, en via die tekst te ontwerpen.' Voor hun laatste nummer van 'MsHeresies', zoals de uitgave die ze maken heet, hebben ze onderwerpen besproken als social media-activisme, gecommodificeerd feminisme en het belang van de geschiedenis voor een onderzoek naar heersende structuren. Tot nu toe zijn er twee nummers uitgekomen, die het thema werk en samenwerkingsmogelijkheden onderzoeken vanuit feministisch perspectief.

Johanna heeft ook een zwakke plek voor typografie en lettertypes. 'Ik probeer roekeloos om te gaan met lettervormen, in een poging een nieuwe definitie te vinden voor het begrip erfenis in typografie. Erfenis refereert hier zowel aan de geslachtsbepaalde (door mannen gedomineerde) geschiedenis als aan de huidige staat van het letterontwerp, bijbehorende concepten als goddelijkheid en harmonie, alsook de fysieke aspecten, die historisch gezien neerkomen op zwaar werk in lettergieterijen (met kans op loodvergiftiging). In de huidige tijd zou je een parallel kunnen trekken met het reële probleem van werken, of wegkwijnen, achter een computerscherm.'

Onder dit alles ligt een manifestachtige benadering om een nieuw ontwerpethos te vormen. Maar in een recent interview problematiseert Rietlanden Women's Office het gemakkelijk gecommodificeerde format van een manifest: 'Een punt of statement uit een manifest is perfect voor de social mediaversie van activisme (…), iets wat we steeds meer als probleem zijn gaan zien. Een vandaag geschreven tekst is morgen al oud — of zelfs na enkele seconden — in een drukke, doorrollende feed. Deze vooruitgang, de snelheid waarmee alles gaat, is verbonden met consumentisme en economische groei, en dat geldt ook voor teksten en beelden! Maar misschien bewegen we zelfs achteruit — of in kringetjes — als het om feministische 'vooruitgang' gaat.'

Johanna geeft toe dat ook zij meedoet aan de werk-ratrace, en te veel werkt en stress heeft. Dat lijkt symptomatisch te zijn voor het huidige systeem. Hoewel ze wel enige zelfopgelegde vooruitgang boekt. Onlangs stelde ze een rustpauze in, midden op de dag. Ze denkt dat even uitrusten zeer radicaal kan zijn.

Tekst: Jessica Gysel
Jung-Lee Type Foundry

Jung-Lee Type Foundry

Letterontwerp is meer dan een ambacht, techniek of vak voor Jungmyung Lee. Het is voor haar nauw verbonden met de manier waarop we onze gevoelens uitdrukken, interpreteren en ervaren. Ze ontwerpt haar lettertypes als visuele vormen met een specifieke context. Fonts die met baby's te maken hebben bijvoorbeeld, krijgen vaak ronde vormen in plaats van puntige. Maar Jungmyung kijkt verder dan de visuele stijlfiguren van popcultuur of branding. Ze ziet een lettertype als een volwassen karakter met een complex levensverhaal, dat ze onderzoekt door middel van creatieve fictie. De combinatie van een sterke nadruk op letterontwerp en haar multidisciplinaire praktijk van schrijven, publiceren, performance en muziek, weerspiegelt haar opleiding, die begon met industrieel ontwerp in Seoul, waarna ze zich specialiseerde in grafisch ontwerp aan de Aalto Universiteit in Helsinki, en haar vaardigheden en kennis verfijnde in de Werkplaats Typografie van ArtEZ.

Jungmyung onderzoekt de esthetiek van gevoelens in 'Real-Time Realist', een zelf opgezet magazine medegeredigeerd door Charlie Clemoes. In elk nummer wordt in het magazine aan de hand van één emotie een link gelegd tussen grafisch ontwerpers, kunstenaars en schrijvers. Het idee voor dit tijdschrift ontstond toen Jungmyung en Charlie, beiden 'artist in residence' bij WOW Amsterdam, een discussie aangingen over het emotionele spectrum en de schematische weergave hiervan door verschillende theoretici, zoals Robert Plutchiks wiel van acht primaire emoties in variërende intensiteiten en combinaties. Het eerste nummer onderzocht de tak die loopt van verbazing via verrassing naar afleiding, terwijl het volgende ingaat op extase, blijdschap en sereniteit.

Het magazine is een forum voor Jungmyung om aspecten te verkennen van haar ontwerpmethodologie en kritisch perspectief die ze niet kan inpassen in haar professionele carrière. Ze gebruikt het met name om de betekenis van haar lettertypen te contextualiseren bij niet-commerciële toepassingen, en om anderen de kans te bieden om vrijelijk met haar ontwerpen te werken. Het mainstream discours over ontwerp erkent typografie vaak alleen in relatie tot branding, waarbij vage beweringen worden geciteerd over moderne waarden en esthetiek. Real-Time Realist cultiveert juist kalme, contemplatieve en dromerige reflecties op het lettertype als vertelstem.

Hierdoor kan Jungmyung ook experimenteren met nieuwe manieren om iets te maken, hoe onnauwkeurig en obscuur ook. Acht jaar geleden leerde ze letters ontwerpen in een vaste volgorde: letters eerst één voor één schilderen met een penseel, dan scannen, vectoriseren en de uiteindelijke geometrie digitaal afwerken. Dit standaardproces leek gevoelens te onderdrukken, terwijl zij juist aangetrokken wordt door ontwerpprocessen die een emotionele investering vragen, zoals houtsneden. Maar moderne digitale technieken, lettertypes en interfaces bieden evenveel mogelijkheden voor emoties, hoewel het medium, de snelheid en de fysieke en virtuele sociale structuren bij computerinteractie andere emoties kunnen oproepen. In een tijd van constante en maximale communicatie richt het werk van Jungmyung Lee zich op de onbewuste en emotionele beleving van de gebruiker van het vaak onopgemerkte medium dat het lettertype is.

Tekst: Tamar Shafrir
Kostas Lambridis

Kostas Lambridis

De meeste mensen kennen Kostas Lambridis van zijn notoire 'Elemental Cabinet', dat hij in 2017 maakte als afstudeerproject voor zijn master Contextual Design aan de Design Academy Eindhoven. Die kast is gebaseerd op het ontwerp van de beroemde 'Badminton Cabinet', dat in de Florentijnse periode gemaakt is door dertig vaklieden en in 1730 werd voltooid na zes jaar werk. Kostas voltooide zijn project met twee handen (de zijne) in drie maanden tijd. De kast is exemplarisch voor zijn manier van werken. 'Ik ontwerp niet graag. Ik neem liever een bestaande vorm of kies een vorm die me bevalt. Ik wil geen design-expert zijn. Voor mij gaat het erom onbevreesd te werken, terwijl je je naïviteit omarmt en bestaande ideeën over schoonheid negeert. Het gaat erom tijdens dat proces vrij te zijn en jong te blijven.

Kostas, geboren en getogen in Athene, studeerde techniek op het Griekse eiland Syros, aan de enige designschool in Griekenland. Omdat die basis vooral theoretisch was, besloot hij een meer creatieve en praktische vorming te ondergaan als stagiair bij ontwerper Nacho Carbonell in Eindhoven. 'Design is in Griekenland iets heel anders dan in Nederland.' Het beviel hem zo goed dat hij ruim zeven jaar bleef en aan een masteropleiding begon aan de Design Academy. In het eerste semester gaf zijn docent Maarten Baas hem de opdracht een lamp te ontwerpen. 'Ik stelde mezelf de vraag: Wat is een lamp? Een lamp is een gloeilamp. Het is uit steen gemaakt glas en metaal. Ik combineerde de verschillende materialen, en maakte een gloeilamp.'

Hij noemt Robert Rauschenberg als zijn grote inspiratiebron, vooral door de manier waarop hij materiaal benaderde vanuit conceptueel oogpunt, door na te denken over de artistieke nederigheid van materiaal. 'Alles kan dienstdoen als materiaal. Zodra je dat principe omarmt, zijn de mogelijkheden onbegrensd.' Hij zet zijn materiaal in op twee even belangrijke assen: primitief en hightech. In al zijn creaties combineert hij oude en nieuwe productietechnieken; een mix van materialen van veel of weinig waarde als brons, keramiek en borduurwerk, maar ook gesmolten oude plastic stoelen. 'De basis van dit alles is het idee van non-hiërarchie in materiaal. Alles komt voort uit de aarde. Goud is kostbaarder dan modder, maar voor de planeet zijn ze hetzelfde. Het concept waarde is bedacht door de mens.'

Hij werkt momenteel met de Carpenters Workshop Gallery aan een aantal nieuwe projecten. Hij heeft al een bank gemaakt ('Her') en een kroonluchter ('Jupiter') en is nu een lage tafel en een boekenplank aan het ontwikkelen. 'Ik begon volledige voorwerpen te maken, Dat ben ik aan het terugschroeven en ik maak nu eenvoudiger werk. Maar het proces is even moeilijk. Ik probeer er modernere periodes bij te betrekken en het materiaal op enigszins logische wijze te gebruiken.'

Hij is aan het terugverhuizen naar Athene, om dichter bij zijn familie te zijn. 'Ik ga beginnen aan mijn tweede leven als kunstenaar en hoop hetzelfde gemeenschapsgevoel te kunnen creëren dat ik ervaren heb in Eindhoven.' Hij noemt zijn vader zijn grootste inspiratiebron. 'Hij was een maker; hij had een bijzondere manier van werken. Dat zit in mijn DNA. Als je een goede maker bent, kook je lekker en maak je goed schoon, met aandacht voor detail, en dat vind ik cruciaal.'

Op de vraag of hij ooit vrij neemt citeert hij een van zijn docenten, kunstenaar Gijs Assman, die zei dat je moet blijven leven terwijl je probeert te werken. Daarom gaat hij in het weekend zeilen, een van de voordelen van het leven in Griekenland.

Tekst: Jessica Gysel
Lena Knappers

Lena Knappers

Lena Knappers is als stedenbouwkundige geïnteresseerd in grootstedelijke vraagstukken die een integrale aanpak vereisen. Zo staat migratie centraal in haar onderzoek- en ontwerpproject. 'Als je kijkt naar de manier waarop migranten worden gehuisvest, zie je dat een stedelijke strategie ontbreekt. De migrantenstatus - denk aan asielzoeker, arbeidsmigrant of internationale student - waarmee iemand in ons land terechtkomt, bepaalt voor een groot deel hoe de ruimtelijke leefomstandigheden van diegene eruit zien.' Naast het nationale beleid richting migranten, houdt ook het Europese beleid op dit gebied Lena bezig. De aanleiding hiervoor was een verblijf in Istanbul in de tijd dat veel Syrische migranten het Zuidoost-Europese land binnenkwamen. In datzelfde jaar bleek Nederland slechts zestig migranten te hebben opgenomen.

'Rethinking the Absorption Capacity of Urban Space', waarmee ze in 2017 haar master Urbanism aan de TU Delft afrondde, bevat ontwikkelde strategieën om migranten op duurzame wijze in de ontvangende maatschappij op te nemen. 'Migratie wordt vaak bekeken als een tijdelijk fenomeen. Het wordt beantwoord met tijdelijke containerhuisvesting, buiten het stadscentrum. Beleid dat is gericht op een duurzamer verblijf ontbreekt. Maar het mengen van deze kwetsbare groepen met de bestaande bevolking is van enorm belang', vertelt Lena. In haar scriptie onderzocht ze alternatieve, inclusievere vormen van opvang, gericht op de invulling van de publieke ruimte. De penitentiaire inrichting Overamstel, in de volksmond de 'Bijlmerbajes', is hier een goed voorbeeld van en vormde een geschikte plek om de ruimtelijke interventies te doen die Lena ontwikkelde. De voormalige gevangenis functioneerde van augustus 2016 tot februari 2018 als opvangplek voor duizenden asielzoekers. Naast de Bijlmerbajes bevond zich een containerdorp voor internationale studenten. Ze deelden dezelfde leefruimte, maar de twee groepen leefden totaal langs elkaar heen.

De ontwikkelde strategieën en ruimtelijke interventies kunnen ook worden uitgerold naar andere plekken in Europa, zoals Athene. Lena bezocht de Griekse stad, die ook staat voor het migratievraagstuk, al enkele keren. Aan de hand van diepte-interviews met verschillende migranten én Grieken wil ze de problematiek aan de oppervlakte krijgen. Met de hieruit verkregen gegevens zal zij zich gaan focussen op passende ontwerpoplossingen. Na afronding van haar lopende onderzoek in Athene wil ze haar bevindingen bundelen in boekvorm.

De ideaaltypische inclusieve stad is iets waar Lena Knappers zich voorlopig nog in zal vastbijten. Niet alleen het thema migratie, maar de invulling van de publieke ruimte en de ongelijkheid die deze over het algemeen in stand houdt interesseert haar. Omdat ze deels in loondienst werkt, en via deze dienstbetrekking samenwerkt met gemeenten, woningcorporaties en uitvoerende organisaties zoals het COA, zijn er nog voldoende raakvlakken en mogelijkheden tot verder onderzoek in ontwikkeling. 'In Den Haag werk ik aan grote complexe projecten met veel verschillende stakeholders en belangen. Deze projecten vergen tijd en afstemming, maar leren je tegelijkertijd om vanuit verschillende perspectieven te kijken. Als ik aan mijn eigen onderzoek- en ontwerpproject werk, heb ik alle vrijheid en kan ik mijn verbeelding gebruiken om creatieve alternatieven te openbaren.'

Tekst: Giovanni Burke
Manetta Berends

Manetta Berends

Manetta Berends gelooft dat vakmanschap en ethiek essentieel zijn voor de ontwerppraktijk, en daarbij doen digitaal ontwerp en online gemeenschappen niet onder voor traditionelere fysieke media. Na haar studie Graphic Design aan ArtEZ en Media Design aan het Piet Zwart Instituut zette ze samen met een grotere groep mensen 'varia' op, een ruimte in Rotterdam waar ze nieuwe vormen van collectiviteit onderzoeken gericht op technologie.

Voor Manetta biedt varia een proeftuin om haar designfilosofie toe te passen: ze maakt uitsluitend gebruik van gratis/vrije (free/libre) en open source software (FLOSS) en onafhankelijke digitale infrastructuren die geen onrecht doen aan de gebruikers door hun data te verzamelen, auteursrechten af te dwingen of hun codes ontoegankelijk te maken. Inmiddels is varia uitgegroeid en hebben ze een eigen server en communicatie- en organisatiesysteem, inclusief chatprogramma en gedeelde kalender. Op hun website bieden ze hun gratis software aan, slaan ze projectdocumenten op voor zowel medewerkers als bezoekers, en schrijven ze posts waarin ze de technische en conceptuele kennis delen die ze al doende hebben vergaard. Daarnaast publiceren ze hun aantekeningen van live workshops, bijeenkomsten en conferenties met behulp van Etherpad, een real-time collectieve editor.

Als een van de vijf leden van varia met leidinggevende verantwoordelijkheden ontwikkelt Manetta ideeën over wat een grafische ontwerppraktijk en een samenwerkingspraktijk vandaag de dag zouden kunnen zijn. Zoals in ambachtsgildes eeuwen geleden, is het resultaat van het ontwerpproces maar één element van een grotere cultuur, die ook het maken van werktuigen omvatte, sociale inclusiviteit, het opdoen van praktische kennis en het delen van kennis met anderen. Deze brede aanpak wordt bij varia gecultiveerd met vrij toegankelijke evenementen als 'Relearn', een collectief leerexperiment en zomerschool waar docenten en studenten op gelijke voet samenkomen. Manetta gelooft dat de professionele praktijk zo de nieuwsgierigheid, energie en het plezier kan vergroten van mensen in het ontwerponderwijs.

Deze kenmerken resoneren ook in haar eigen werk. Haar 'cyber/technofeminist cross-reader', onderdeel van de expositie 'Computer Grrrls' in 2019 in La Gaîté Lyrique in Parijs en MU in Eindhoven, is een reeks manifesten waarin technologie en feminisme, in de periode 1912 tot nu, zijn vervlochten. Tegelijkertijd is het een instrument dat de taalkundige verbanden tussen de manifesten aantoont met behulp van het TF-IDF (Term Frequency Inverse Document Frequency) algoritme, en gebruikers in staat stelt tegelijkertijd meerdere manifesten te lezen door er citaten uit te lichten die hetzelfde woord gebruiken. De cross-reader bevat tevens een gedetailleerde uitleg van het algoritme, met terminologie die ook niet-programmeurs kunnen begrijpen. En ten slotte is het een onderzoek naar de taal van manifesten. Het toont het belang aan van communicatie in bewegingen voor maatschappelijke verandering. Manetta Berends geeft een ontwerppraktijk vorm waarin kritisch denken, activisme en sociale verantwoordelijkheid elk facet benadrukken van esthetische keuzes tot pragmatische verplichtingen.

Tekst: Tamar Shafrir
Mirte van Duppen

Mirte van Duppen

Met haar werk geeft Mirte van Duppen nieuwe invulling aan de rol van grafisch ontwerpers in de huidige samenleving. Ze is geïnteresseerd in de gedeelde omgeving; een interesse die tijdens haar studies Graphic Design aan ArtEZ en Design aan Sandberg verder vorm kreeg. Hoe wordt de gedeelde omgeving door individuen waargenomen en hoe gedragen ze zich er? Wat betekent vrijheid nog op openbare pleinen in Nederland? En wat is de betekenis van transparantie in moderne gebouwen?

Mirte richt zich met name op het Nederlandse landschap, op variabele schaal, en de manier waarop het vormgegeven is door politici, industriëlen, en architecten, maar ook door excentrieke individuen met een fascinerende visie. Haar film 'The Dutch Mountain', bijvoorbeeld, heeft als uitgangspunt de droom van wielerjournalist Thijs Zonneveld om een tweeduizend meter hoge berg te bouwen in Nederland, en visualiseert die droom in concrete details door middel van naadloos gemonteerde beelden van verschillende plekken in het Nederlandse landschap. Een voice-over beschrijft de berg als een 'fait accompli' en citeert wetenschappelijke experts die ze vroeg naar de gevolgen voor het milieu. In een split-screencompositie zet ze idealistische visies tegenover banale benodigdheden als fiets- en wandelpaden en openlijke kunstgrepen als dierentuinen en pretparken.

In haar onderzoek denkt Mirte na over het spanningsveld tussen het vermogen van de mens om het terrein naar believen te modelleren aan de ene kant, en diens affiniteit met romantische of techno-utopische natuurconcepten aan de andere. 'Territory of the Beings', een recente opdracht van KAAN Architecten, kan omschreven worden als een natuurdocumentaire over moderne kantoorwerkers in hun open habitat. Haar film analyseert de strategieën (zowel surreëel als cynisch) die worden gebruikt in hedendaagse architectuur om bij gebruikers de indruk te wekken van vrijheid, welzijn en persoonlijke ruimte. Tegelijkertijd speelt het leentjebuur bij de esthetiek van de architectuurfotografie om de nadruk te leggen op de uitdaging om je aan te passen aan de geretoucheerde, geperfectioneerde utopie van de moderne werkplek.

Haar laatste project richt zich intussen op het werkgebied van de industriële landbouw in Nederland. Door boeren te interviewen heroverweegt ze de iconografie van het futurisme in het licht van de anekdotes die ze heeft verzameld, inclusief het hacken van machines, bloemenflats, kunstlicht en robottuinmannen en -aspergetelers. Hoewel ze fictie en dichterlijke vrijheid omarmt als creatieve middelen, is Mirte van Duppen zich ook bewust van haar retorische invloed als ontwerper en editor. Ze gaat op zoek naar personen die directe kennis bezitten over urgente onderwerpen en geeft ruimte aan hun perspectieven, die vaak weinig gelijkenis vertonen met de groteske fantasieën die populair zijn gemaakt in de mainstream media. Ze is even kritisch over de overmoedige menselijke manipulatie van de natuur als over fatalistische of paniekzaaierige verhalen als dramatisch stijlmiddel, en laat de totale technologische verzadiging van elk onderdeel van onze maatschappij zien, ongeacht hoe 'natuurlijk' het ook lijkt. Met haar werk wil ze haar publiek stimuleren tot fascinatie, contemplatie en intelligente actie.

Tekst: Tamar Shafrir
Munoz Munoz

Munoz Munoz

Lucas Muñoz Muñoz werkte al als productontwerper toen hij per toeval uitkwam bij wat nu zijn creatieve obsessie is. Een paar jaar nadat hij was afgestudeerd aan de Design Academy Eindhoven met een master in Contextual Design ging hij naar Thailand om een ex-klasgenoot op te zoeken. Toen ze hoorden over een raketfestival in een dorp in Isan, wilden ze dat graag met eigen ogen zien. De traditie bestond al eeuwen en ontstond mogelijk onder invloed van migranten uit het huidige China die hun kennis over buskruit meebrachten. De raketten worden door boeddhistische monniken gemaakt van bamboe en tegenwoordig ook van pvc-pijpen. De grootste zijn acht meter lang, bevatten 120 kilo buskruit en bereiken hoogtes tot acht kilometer. Tijdens het festival, dat een maand duurt, worden ongeveer vijfhonderd raketten gelanceerd, waarvoor het vliegverkeer elk jaar moet worden omgeleid.

Lucas en zijn vriend bezochten het festival niet alleen als toeschouwer. Ze wilden met de monniken aan het werk en brachten twee maanden bij hen door om raketten te leren bouwen. Intussen kwamen er een paar nieuwsgierige filmmakers langs en ontstond spontaan het idee om een documentaire te maken - iets wat nog niemand van hen eerder had gedaan. Ze verzamelden beelden, waarbij ze een brede kijk hanteerden op de rol van de raket als instigator van tijdelijke sociale vrijheden, maar ook als symbool van de afhankelijkheid en kwetsbaarheid van boeren in relatie tot de jaarlijkse regentijd. Ze kozen ook een andere invalshoek door zich te richten op de 'oral history' rond de hoofdmonnik van het dorp, die recent was overleden en beroemd was om zijn zwarte magische krachten.

Voor Lucas is de raket een object dat dwars door schijnbaar ver uit elkaar gelegen culturen, thema's en geschiedenissen snijdt. Een raket met een atoombom kan de wereld vernietigen, maar een raket kan mensen ook voor uitsterving behoeden door ze naar een andere planeet te vervoeren. Het is niet meer dan een vliegende cilinder die voortgedreven wordt door een chemische reactie, maar dit ene voorwerp is een vehikel voor een veelvoud aan technologische dromen, culturele overtuigingen, politieke conflicten en existentiële angsten. Die verschillende betekenissen vormen de basis voor een serie documentaires, die elk een bepaalde typologie onderzoeken in een complexe sociale context.

Lucas keek bijvoorbeeld naar de raket als wapen in Libanon en werkte hiervoor samen met NGO's die met vluchtelingen opvangen die van huis en haard zijn verdreven door raketten en andere vernietigingswapens. Om dit onderwerp met gevoel te benaderen, koos Lucas een meer associatieve benadering door het verhaal persoonlijk te maken. Hij vroeg Syrische en Palestijnse kinderen om hun herinneringen aan thuis te beschrijven en reconstrueerde elke herinnering vervolgens met behulp van archiefmateriaal, als bespiegeling op de mogelijkheden en paradoxen van interculturele empathie. In een andere aflevering interviewt hij onderzoekers van de Newcastle University en maakt hij een beschouwing van de raket als katalysator voor discussies over wetgeving, kolonisatie en mijnbouw in de ruimte. Lucas Muñoz Muñoz werkt nog als maker, maar hij wil ook vraagtekens zetten bij verwachtingen van de manier waarop objecten creatieve processen inspireren en eruit voortkomen, en hoe onderzoek zich manifesteert in de ontwerppraktijk.

Tekst: Tamar Shafrir
NINAMOUNAH

NINAMOUNAH

Er heerst een geconcentreerde drukte in het atelier van Ninamounah Langestraat midden in de Amsterdamse Jordaan. Amper en paar jaar geleden afgestudeerd aan de Rietveld Academie werkt ze nu in nauw partnership met haar brandmanager Robin Burggraaf, en een bonte verzameling medewerkers. Het atelier barst uit z'n voegen, Ninamounah denkt erover om de hele onderneming naar Zaandam te verhuizen: 'daar is het tenminste betaalbaar, en is er ook ruimte'. Ze is meer op zoek naar een community dan een broedplaats, en fantaseert over een eigen plek aan de Nieuwe Meer in Amsterdam, waar een hechte kunstenaarskolonie resideert.

Niet verwonderlijk voor iemand die opgroeide in Ruigoord, de Amsterdamse vrijstaat die haar grootouders mee hebben opgericht. 'Mijn grootmoeder was één van de spilfiguren van Roze Maandag, ik draag nog steeds haar oorring', een zilveren object bestaande uit drie in elkaar hakende feministische tekens.

Tot nog toe maakte ze vijf collecties, met namen als '001 Mothers Nature is a Slut ', '002 Smell my Pheromones' en '004 Evolve Around Me'. De collecties hebben elk een eigen nummer, omdat Ninamounah doelbewust niet met seizoenen werkt. Ze maakte ook een paar films waarvan de tweede, 'Hormones are my Master' genomineerd is voor prijzen van meerdere (mode)filmfestivals.

Op dit moment werkt ze met de Amsterdamse fotograaf Paul Kooiker aan een boek en een expositie en ze ontwikkelde met kunstenaar Anna Gray een parfum. 'Ik hou van geuren die alarmeren, die aangeven dat er iets mis is, maar tegelijkertijd ook heel aantrekkelijk zijn'. Ninamounah heeft een achtergrond in biologie, en volgde tijdens een boswachteropleiding een cursus taxidermie. Om vervolgens op de Rietveld Academie te belanden, eerst richting textiel en uiteindelijk mode. Ze had vaak discussies met docenten, maar zegt lachend dat het uiteindelijk wel goed is gekomen. Ze doet nog steeds af en toe aan taxidermie, met name voor hondjes of poezen van vrienden. En ze heeft ook nog heel veel in het vriesvak liggen, maar op dit moment ontbreekt het haar aan tijd.

Ninamounah overleefde als kind de vliegtuigramp in Faro, samen met haar ouders, die van plan waren om zich permanent in Portugal te vestigen. Ze kan zich er niets van herinneren. Haar moeder nam haar daarna mee op wereldreis, en dat heeft haar natuurlijk gevormd. Ze is een 'survivor', en houdt van sterke persoonlijkheden, een gegeven dat als een rode draad door haar werk loopt. De collecties mogen dan wel verschillend zijn, ze werkt vaak met een moederpatroon dat het dominante karakter mee vorm geeft. Daar horen ook een aantal 'key items' zoals de iconische 'body blazer' of de getailleerde 'chaps' bij. Deze komen in elke collectie terug, weliswaar steeds in een andere vorm. Ze vindt het belangrijk dat er zowel dure als betaalbare stukken in elke collectie zitten. Maar geen gesimplificieerde merchandise. 'Onze merchandise is een integraal onderdeel van de collectie, niet een simpel ding met een logo erop. Ik zorg steeds voor iets bijzonders als een borduursel of iets dat met de hand is gemaakt.' Ze werkt veel met natuurlijke materialen, het leer is gerecycled en al het andere materiaal komt van 'dead stock'. Het is niet eens een issue, het is gewoon de realiteit. Verder is alles unisex en wordt het allemaal in en rond Amsterdam geproduceerd. 'Je kan hier echt wel grote producties doen, er zijn zoveel mogelijkheden hier. Het maakt de kleren wel duur, maar ik kan het onmogelijk op een andere manier doen'.

Haar grootste ambitie is om onafhankelijk te blijven, en dingen in haar eigen tempo te ontwikkelen. 'Ik heb zelden stress, ik ben een super workaholic, ik voel me heel erg gesteund door mijn familie en vrienden.'

Tekst: Jessica Gysel
Philip Vermeulen

Philip Vermeulen

Philip Vermeulen rondde in 2017 de interdisciplinaire ArtScience master van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten af en studeerde af aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij is afkomstig uit een meer traditionele kunstscholing, maar was ook toen hij nog schilderde al geboeid door licht en directe experimenten met apparatuur waarin licht de hoofdrol speelt, zoals projectoren, stroboscopen en schermen. Gefascineerd door deze effecten wilde hij ze gebruiken om de kijkervaring intenser te maken.

In zijn speelse experimenten met huis-, tuin- en keukenvoorwerpen als ventilatoren, tennisballen en tl-lampen tot industriële componenten als driefasenmotoren gaat Philip net zo ver tot ze het begeven of stilvallen, om zo hun grenzen te bepalen. Hoe snel kunnen ze draaien? Hoeveel kracht kunnen ze absorberen? Hoe ver kunnen ze worden opgeschaald? Hoe kunnen ze worden gehackt? Op de limiet van hun functionele integriteit beginnen de voorwerpen te veranderen en hun normale kenmerken in het dagelijkse leven te overstijgen. Philip beschouwt dat moment als de expressie van een uniek karakter. Vervolgens kan hij met elk karakter werken als componist of regisseur, door het in een scenario te verwerken waarin het zijn uitgebreide functie kan tonen, en zichzelf soms zelfs vernietigt in een apotheose.

Als toeschouwers ervaren we elk karakter als een bijzondere fenomenologie via onze verschillende zintuigen; we horen trillingen als gezoem, we beschouwen gebroken wit licht als een regenboogspectrum of we zien bewegende delen bij bepaalde snelheden als gevlamde patronen of vaste vormen. Zo bestaan de kunstwerken van Philip alleen als ervaringen waarbij zowel de materiële componenten als de waarnemers een cruciale rol spelen. Daardoor is er altijd een zekere mate van onvoorspelbaarheid. Philip stelt dat de materialen een eigen leven leiden, en zijn creatieve proces kan soms een machtsstrijd met zich meebrengen, wanneer de elementen zijn verwachtingen tarten of logenstraffen.

In die zin vertoont zijn werk een verband met twintigste-eeuwse experimentele kunstenaars als John Cage of Hans Haacke. Hun schematische composities en real-time-systemen omarmden het toeval, zonder dat alles vooraf was bepaald. Ook zij brachten de mysterieuze kwaliteiten en latente mogelijkheden van alledaagse materialen, technologieën en mensen naar voren die samenkwamen in hun werk. Vijftig jaar later breidt Philip deze benadering uit naar nieuwe middelen, zoals computerprogrammering, Arduino, sensoren en 3D-prints. Tegelijkertijd legt hij de eigenaardigheden vast van spoedig verouderde technologieën en de bezielde lichamelijkheid van mechanische installaties. In een periode waarin zintuiglijke effecten steeds vaker worden geproduceerd vanuit de zwarte doos van de computer, en gebruikers geen begrip hebben van het proces of de invloed op het resultaat, kan Philip Vermeulens kunst worden beschouwd als een daad van verzet.

Tekst: Tamar Shafrir
Pim van Baarsen

Pim van Baarsen

Pim van Baarsen studeerde Man and Activity aan de Design Academy in Eindhoven. Om zich heen zag hij dat er veel producten werden bedacht die niemand nodig had en een praktische toepassing misten. En tijdens zijn opleiding betrapte hij zichzelf op het eigenhandig creëren van een probleem om dit weer te kunnen verhelpen door middel van design. Maar zijn creativiteit wilde hij liever inzetten om daadwerkelijke problemen op te lossen. Pim: 'Design is bereikbaar voor zo'n tien procent van de wereldpopulatie en dat is nog ruim genomen. Als het gros van de ontwerpers zich op deze groep richt, wie bedient die andere negentig procent dan?'

De eerste buitenlandse ervaring met als doel design zinvoller in te zetten bracht Pim in Nepal, waar hij samen met compagnon Luc van Hoeckel het gebruik van medicatie onderzocht. Inhoudelijke kennis van medicijnen ontbrak, maar als ontwerpers waren ze wel opgeleid om praktische problemen van oplossingen te voorzien. Zo bedachten ze een aantal concepten om medicatie en het gebruik ervan te versimpelen door middel van design en verbeeldingskracht. Veel Nepalezen in de buitengebieden zijn namelijk ongeletterd. Gedurende een stage in Malawi realiseerden ze later een collectie zorgmeubilair, volledig gebaseerd op lokaal beschikbare materialen en technieken. Met deze twee projecten hebben de heren, ook wel bekend onder de naam Superlocal, hun werkmethode verfijnd en hun eerste successen geboekt. In feite een moderne vorm van ontwikkelingshulp.

'In minder ontwikkelde economieën kan het wat lastiger zijn om je einddoel te realiseren. In het Westen zijn wij gewend aan hele gestructureerde of gestroomlijnde productieprocessen. We moeten vaak vanuit opdrachtgevers mensen 'pushen' om het werk op tijd af te krijgen, dat maakt het er niet altijd makkelijker op. Het kan overkomen alsof wij Westerlingen wel even komen uitleggen hoe het werkt. Dat proberen we te allen tijde te voorkomen. Toch voelt dat weleens zo en dat kan frustrerend zijn.' Pim duidt het belang van een gelijkwaardige relatie. Door de lokale ambachtslieden vanaf dag één te betrekken in het proces voelen zij zich hiervoor ook medeverantwoordelijk. Zo kunnen de projecten na het vertrek van Superlocal worden voortgezet. 'Wij willen ons misbaar opstellen. Ontwerpers hebben vaak de neiging om zichzelf in de spotlight te plaatsen, wij zetten liever onze lokale partner in het zonnetje'.

Momenteel is Pim in Rwanda. Een jaar geleden is hij benaderd door de MASS Design Group, een architectenbureau uit Boston (Verenigde Staten). Hun hoofdkantoor zit in de Rwandeese hoofdstad Kigali. Het is geen onbekende partij voor Pim die al sinds de start van Superlocal bekend is met het bureau. Maar andersom was dat dus ook het geval. Na enkele publicaties op internationale designplatforms die duidelijk maakten welke successen Superlocal de afgelopen jaren heeft geboekt, legde MASS Design Group contact. Het bureau is in Rwanda bezig met de bouw van een agrarische universiteit. Terwijl zij zich toeleggen op alle bouwtechnische zaken, vroegen ze Superlocal om het complete interieur voor de campus te ontwerpen. 'MASS Design Group is een groot voorbeeld. Ze werken altijd vanuit lokale ambachten, technieken en materialen en aan hun ontwerpen gaat grondig onderzoek vooraf. Hun doel is om werkgelegenheid te creëren en het stimuleren van de lokale economie. Wat zij betekenen voor architectuur, willen wij betekenen voor productontwerp!'

Tekst: Giovanni Burke
Studio Bernhard Lenger

Studio Bernhard Lenger

Bernhard Lenger richt zich in zijn gelijknamige designstudio op ontwerp waarin een sociaal, communicatief thema zit verweven. Zijn doel is een positieve impact op de maatschappij uit te oefenen. Door het begrijpelijk maken van internationale wetgeving, politiek en mensenrechten wil hij verandering in gang zetten. 'De besluitvorming op internationaal niveau heeft grote impact, maar gaat toch aan een groot deel van de bevolking voorbij. Daarom probeer ik de boodschap te versterken dan wel te versimpelen.'

Bernhard werkt vaak alleen, maar is ook actief als oprichter van het collectief Foundation We Are. Dat de leden uit verschillende disciplines afkomstig zijn, maakt het mogelijk om vanuit diverse invalshoeken aan grotere thema's te werken.

Tijdens zijn studie industrieel en mechanisch ontwerp in Oostenrijk, waar hij werd geboren, zag Bernhard dat veel draaide om het commercieel herontwerpen van producten. Daadwerkelijke probleem werden daarentegen niet verholpen. Deze gedateerde manier van denken kon zijn aandacht niet lang vasthouden, waardoor hij zich nu vooral richt op de eerder genoemde thema's. Een vervolgstudie aan de Design Academy in Eindhoven maakte het mogelijk om meer te experimenteren en zich uiteindelijk op deze thema's toe te leggen.
Sinds vorig jaar is hij bezig zijn ontwerpmethodologie verder te ontwikkelen. Gedurende dit proces landde het besef dat hij dit op een zo hoog mogelijk niveau moet zoeken omdat internationale wetgeving, politiek en mensenrechten daar uiteindelijk worden bepaald. Denk aan de Europese Unie. 'Het afgelopen jaar heb ik bekeken hoe ik de samenwerking kan aangaan met Europarlementariërs. Als overkoepelend orgaan heeft de EU zijn goede en slechte kanten. Als het erin zou slagen de (communicatie rondom) de internationale wetgeving en problematiek beter over te brengen aan het publiek zou het een hele stap vooruit maken. Ik heb zelf meerdere uren besteed aan het uitpluizen van VN-publicaties en daar is echt niet doorheen te komen!'

Bernhard zou graag willen ondersteunen in het uitdragen van het beleid en goede intenties van deze Europarlementariërs. Daarnaast is hij in samenwerking met een vertegenwoordiger van Justice and Peace Nederland afgelopen jaar gestart met onderzoek gericht op design in Burundi. De LHBT-gemeenschap staat daar onder grote druk, homoseksualiteit is illegaal en als gevolg hiervan vinden er veel onrechtmatige arrestaties plaats. Bernhard wil zijn ontwerpmethodologie graag aanwenden om de situatie te verbeteren. De eerste stap daartoe is het opbouwen van een ondersteunend netwerk, waardoor de jeugd in Burundi zich beter kan organiseren én dat een oplossing kan bieden voor lokale problemen, bijvoorbeeld door design praktisch in te zetten. Het onzekere politieke klimaat, verband houdend met aankomende landelijke verkiezingen, zorgt ervoor dat dit project voorlopig stilstaat. Maar Bernhard is vastberaden het tot een succesvol eind te brengen.

Vragend naar zijn einddoel geeft Bernhard Lenger aan dat hij vooral erkenning wil. Niet persoonlijk, maar erkenning voor het feit dat ontwerpers kunnen helpen om bruikbare oplossingen te vinden voor maatschappelijke problemen. 'Diverse organisaties met een grote impact op onze samenleving kunnen hier enorm baat bij hebben. Als ontwerpers kunnen we de schakel vormen tussen politiek en maatschappij. Ingewikkelde maatschappelijke thema's kunnen door middel van design en verbeeldingskracht de boodschap begrijpelijk overbrengen!'

Tekst: Giovanni Burke
Studio Knetterijs
Studio Knetterijs

Studio Knetterijs

Samen sta je sterker. Dat dachten ook de negen, inmiddels acht, illustratoren van Studio Knetterijs toen ze in 2016 afstudeerden aan de Groningse Academie Minerva. Om het bekende zwarte gat na de academie als groep te overbruggen, startten ze direct het collectief Knetterijs. Inmiddels hebben Douwe Dijkstra, Jaime Jacob, Jan Hamstra, Kalle Wolters, Maarten Huizing, Megan de Vos, Senne Trip en Tjisse Talsma een ware trend gezet op de academie waar ze zelf nog regelmatig terugkeren als gastdocenten. Aan Minerva studeren inmiddels namelijk steeds vaker kunstenaars en ontwerpers af die hun krachten bundelen in een collectieve vorm.

Bij Studio Knetterijs komen de esthetiek, technieken, persoonlijke interesses en ambities van acht verschillende illustratoren samen. Binnen het collectief heeft iedereen zijn eigen expertise en functie, van analoge druktechnieken, zoals risoprint en zeefdrukken, tot digitale illustratietechnieken en het bijhouden van de Studio Knetterijs-webshop. Het zijn dan ook de onderlinge tegenstellingen die hen tot een veelvormig geheel maken.

Dankzij het Stimuleringsfonds kon Studio Knetterijs de afgelopen periode werken aan een drietal collectieve projecten in de vorm van een 'zine'. De kleine publicaties zijn de uitkomst van een onderzoek naar de mogelijkheden en grenzen van het medium met een hoog 'do-it-yourself'-gehalte en proberen dit tegelijkertijd te overstijgen. Door middel van ambachtelijke technieken en nieuwe technologische middelen verhief Knetterijs de zine naar een nieuw soort genre, ingegeven door interactie en een zekere mate van speelsheid.

'The Rottumereye Tragedy' is een mysterieuze detective bestaande uit een rijke dossiermap met daarin een verscheidenheid aan kleine boekjes, prints, een leporello en een poster in verschillende stijlen op verschillende soorten papier die samen de hints vormen om de moord op het waddeneiland Rottumeroog op te lossen. De tweede zine, genaamd 'The Octagon Pentalogy' is een multidimensionale ervaring bestaande uit vijf audiotracks over avontuur in de ruimte. Elke audiotrack, ingesproken door Amerikaanse stemacteurs, is anders. Door de verschillende audiotracks te combineren met de geprinte zine ontstaan er vijf verschillende narratieven. Alle uitgaven van Studio Knetterijs zijn met de hand gemaakt en worden verkocht in kleine oplagen via de eigen webshop of op beurzen. Voor hun meest recente project en derde zine 'Mushrooms & Magic, an interactive odyssey' werkt Knetterijs momenteel samen met een programmeur die gelaagde tekeningen van de illustratoren omzet naar een digitale interactieve zine, waarin de lezer door zelf keuzes te maken invloed heeft op het verloop van het verhaal.

Tekst: Manique Hendricks
Studio Koen Steger

Studio Koen Steger

De inspiratie voor zijn vak ontdekte Koen Steger al vroeg. In zijn jonge jaren besteedde hij talloze uren aan het ontwerpen van onder andere vliegende auto's en zelfs een tijdmachine; een uitvinder pur sang. Als je Koen zijn studio aan de Transformatorweg in Amsterdam binnenloopt dan zie je dat ook terug aan de een wirwar van kabels, draden, lampjes en printplaten. Niet voor niets startte hij na de middelbare school aan de TU Delft met de opleiding industrieel ontwerpen. Maar al vrij snel kwam hij erachter dat hij binnen deze opleiding zijn fantasierijke ingevingen niet volledig kwijt kon. De opleiding scenografie aan de academie voor Theater en Dans (Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten) sloot hier beter op aan. Vooral de samenwerking en overlap tussen verschillende disciplines (regie, productie en artiesten) bood Koen de juiste voedingsbodem om zich te ontwikkelen in een richting die hem enorm interesseert: werken met licht.

Als beginnend creatief maker speelt Koen met ruimte én licht met als eindproduct een object of installatie. Uiteindelijk wil hij niet ontwerpen om het ontwerpen, maar door middel van een combinatie van technologie en kunst het publiek een beleving bieden. 'Door verbeeldingskracht kun je mensen laten fantaseren, inspireren maar ook simpelweg laten ontspannen. Je kunt techniek inzetten om een beleving te delen.' Koen vertelt dat hij ooit een droom heeft gehad waarin hij zich in een geheel oranje ruimte bevond, en dit als zo fijn ervoer dat hij het gevoel wilde nabootsen om dit te delen met anderen. Om het idee van oneindige ruimte te creëren, zocht hij verbinding met wetenschappelijke partners. Door licht gelijkmatig te projecteren binnen een bolvormig object ontstaat het idee dat je je bevindt in het stadium tussen wakker zijn en in slaap vallen, oftewel 'hypnagogia'. De hersengolven die in dit stadium worden opgewekt, kunnen mensen die tegen een burn-out aanzitten helpen hun fysieke gesteldheid aanzienlijk te verbeteren. Niet zo gek dus dat dit een prettige en indrukwekkende ervaring is.

Het afgelopen jaar heeft Koen Steger zich qua werkzaamheden van theater in de richting van decorontwerp voor televisie en lichtinstallaties verschoven. Ook is hij van plan om muziek in combinatie met licht vorm te geven middels een 'luchtsynthesizer'. Wat duidelijk mag zijn is dat Koen zich niet in projectmatige hokjes laat drukken. Hij zoekt de samenwerking met andere disciplines, wil zich zo breed mogelijk blijven ontwikkelen en maakt wat hij wil. Via een paar omwegen is hij zo weer de uitvinder die hij altijd wilde zijn.

Tekst: Giovanni Burke
Teis De Greve

Teis De Greve

Na afronding van de bachelor- & masteropleiding audiovisuele kunsten aan de LUCA School of Arts in België richtte Teis de Greve zich al vrij snel op de kern van de interactie tussen mens en computer. 'Ik wil mezelf en anderen ertoe bewegen kritisch na te denken over onze relatie met technologie', vertelt Teis. Hij neemt doorgaans bestaande technologie als startpunt, zoals oude mobiele telefoons of draadloze netwerken. 'Ik maak het uiteindelijke ontwerp met als doel bewustwording te creëren voor de impact van deze technologie op ons dagelijks leven. Dit alles probeer ik te doen zonder daar mijn eigen waardeoordeel in te verwerken. Dat laat ik aan het publiek over.'

Zijn afstudeerproject ging over draadloze netwerken. 'In de publieke ruimte hebben die netwerken een private functie, ze zijn namelijk afgeschermd en daardoor dus niet altijd toegankelijk. Bij de grenzen, afgebakend door deze netwerken, staat men niet snel stil omdat ze niet met het blote oog waarneembaar zijn.' Ook 'smart homes' hebben zijn interesse. Binnen smart homes is een slimme thermostaat een populair en veelgebruikt product vandaag de dag. Teis heeft geprobeerd een slimme thermostaat te ontwerpen met simpele voor de hand liggende technologie als fundament. Oude smartphones die thuis in de kast liggen te verstoffen, kunnen worden gebruikt om een 'toolkit' te ontwikkelen. 'Zo'n oude smartphone heeft ontzettend veel sensoren en andere ingebouwde technologie die kan dienen als basis om zelf slimme apparatuur te ontwikkelen voor je woning. Zelfs mijn oma kan op haar smartphone simpelweg de wekker zetten. Dat programmeren op microniveau kan al worden toegepast op de aansturing van huishoudelijke apparaten. Ook het contact maken via de simkaart in zo'n mobiel biedt leuke mogelijkheden voor DIY-projecten.'

Sinds zijn verblijf in China is Teis de Greve gegrepen door het fenomeen 'smart city'. Hij kreeg er lucht van de deelfietssystemen die van de ene op de andere dag 'live' gaan. Doordat het economisch klimaat in China niet voor iedereen het gebruik van deze deelfiets mogelijk maakt, wordt hier veel mee gesjoemeld. Men hackt het digitale slot en eigent zich de deelfiets toe door er een eigen slot om te plaatsen. Teis heeft een zelfontworpen slot op een beurs voor start-ups gepresenteerd, een vrij onethisch ontwerp. Maar het is Teis niet te doen om het stelen van fietsen makkelijker te maken. Met zijn ontwerp wil hij het initiëren en mensen laten nadenken over een deelsysteem en de sociaal-economische uitwerking daarvan.

Tekst: Giovanni Burke
Théophile Blandet

Théophile Blandet

Na een bachelor Design Object in Reims volgde Théophile Blandet zijn masteropleiding aan de Design Academy in Eindhoven in de richting Contextual Design. In 2017 studeerde hij af met een zelfgebouwde computer die digitaal geld produceert, getiteld 'Fountain of Money'. De aanleiding hiervoor was zijn fascinatie voor virtuele valuta, zowel qua vorm als functionaliteit. Daarnaast presenteerde hij meerdere olieverfschilderijen onder de titel 'Fountain of Knowledge' die niet op canvas of paneel waren opgezet, maar hun uiting vonden op de gladde ondergrond van een computerscherm. Wat op het eerste gezicht screenshots leken van openstaande tabs, pop-upreclames en social media timelines waren in werkelijkheid minutieus geschilderde taferelen waar Théophile meer dan drie weken per voorstelling aan werkte.

Precies deze tegenstelling, het contrast tussen de traditionele techniek van een olieverfschilderij, de digitale voorstelling en de ongebruikelijke ondergrond kenmerkt de artistieke praktijk van Théophile Blandet. In beide gevallen vervult de fontein als artefact een symbolische rol met water dat zich opsplitst en in grote hoeveelheden wordt uitgespuwd.

Het liefst maakt hij alles zelf vanuit zijn werkplaats op Strijp-S in Eindhoven en stort hij zich eens in de zoveel tijd op een nieuw materiaal waar hij vervolgens alle mogelijkheden van onderzoekt. Hij vergelijkt zijn werkwijze met die van een modeontwerper, die eens in de zes maanden een nieuwe collectie maakt met soms nieuwe materialen, technieken of uitgangspunten. Voordat hij aan het onderzoeken van een nieuw materiaal of een nieuw project begint, stelt Théophile altijd zelf een set regels op. Zo limiteerde hij zichzelf eens tot het enkel gebruiken van vijftien plastics die hij op verschillende manieren omsmolt om ophangsystemen en boekenplanken te produceren. Zijn praktijk bevat een hoge mate van ambacht, waarbij hij altijd begint bij het materiaal en daar uitvoerig onderzoek naar doet voordat hij begint met zagen, snijden, schuren, knippen of verhitten. Vanuit de mogelijkheden van het door hem gekozen materiaal ontstaan vervolgens ideeën voor nieuwe vormen van objecten.

Alle objecten die Théophile Blandet ontwikkelt hebben een zekere mate van sculpturale kwaliteit en zijn nooit hetzelfde. Momenteel werkt hij bijna alleen nog maar met een bepaald soort aluminium dat hij toepast in het maken van unieke met de hand vervaardigde stoelen en tafels. De uitkomsten van zijn materiële onderzoeken presenteert hij altijd en hij ziet nooit iets als een mislukking. Het is onderdeel van de uitkomst van zijn onderzoek en daarmee waardevol. Hoewel gebruikelijk in de designwereld, meerdere modellen maakt hij nooit. De uitkomst van zijn onderzoek is altijd het eerste en tegelijkertijd laatste model.

Tekst: Manique Hendricks
Vera de Pont

Vera de Pont

Vera de Pont heeft een grote interesse voor machines. Tijdens een werkperiode bij Hella Jongerius' Weavers Werkstatt – een tijdelijke textiel research workspace bij Lafayette Anticipations in Parijs – onderzoekt ze momenteel de mogelijkheden van het TC2-weefgetouw. 'Je kan elke draad afzonderlijk optillen, dat maakt het mogelijk om complexe tekeningen of constructies in meerdere lagen te weven. Het onderzoek is een zijtak van mijn 'Pop•up'-project uit 2015, waarbij ik een complete jas heb geweven op een weefgetouw van 150 cm breed.' In haar ontwerponderzoeken kiest Vera bij voorkeur voor een additief productieproces. Hierbij gebruik je precies de hoeveelheid materiaal die je nodig hebt om tot het eindproduct te komen. Met andere woorden: je bouwt geen restmateriaal op. Dat gebeurt wel in een subtractief proces, waarop het huidige modesysteem grotendeels op is gebaseerd. 'Het TC2-weefgetouw heeft een standaard breedte, dat is juist niet hoe ik zou willen werken want op die manier krijg je wel restmaterialen. Ik probeer de vlakke machine zo te ontwikkelen dat ik 3D-vormen kan maken, of joints die meerdere richtingen kunnen opgaan. Ik vind het te gek dat ik hier de kans voor krijg.'

Het is een typische Vera de Pont uitdaging. Met een achtergrond in biomedische wetenschap en design is ze eerder toevallig de modewereld ingerold. Catwalks en het hele gedoe eromheen interesseren haar niet. Haar missie is de inefficiëntie van het modesysteem met wetenschap en creativiteit oplossen. 'Ik heb jarenlang in boeken gelezen hoe eiwitten zichzelf kunnen opvouwen om een bepaalde functie te krijgen. Die kennis pas ik nu toe in textiel.' In haar onderzoek is ze ook bezig met het ontwikkelen van software die digitale blueprints ontwikkelt voor bijvoorbeeld de breimachine of 3D-printer. 'In mijn wereld vallen technologie en creativiteit heel erg samen, ik zie het als mijn schilderskwast. We ontwerpen eerst onze gereedschappen en tools voordat we hetgeen maken wat eruit komt. Ik kan razend enthousiast worden als ik over beide tegelijkertijd nadenk.'

Samen met Martijn van Strien schreef ze het 'Open Source Fashion Manifesto' ('The future designer is a facilitator, developing the platform for designing and creating the final garment'). Met Anouk van de Sande creëerde ze AnoukxVera, een studio die zich bezighoudt met Trendforecasting en textiel. Zo begonnen ze in 2015 met sports wearables, een extensie van haar hobby's boulderen, fietsen en motorrijden. En ze zit in Taskorce Fashion waar ze in opdracht van het Stimuleringsfonds met veertien andere ontwerpers nadenkt over brandende maatschappelijke vraagstukken en hoe ontwerp hierop een antwoord kan geven. Het is duidelijk dat Vera niet van competitie houdt. 'Samen kom je veel verder dan alleen. En kan je ook meer grootschalige projecten doen. Je wordt uit je eigen hoofd getrokken.'

Het gaat haar niet om geld verdienen, liever investeert ze in kennisontwikkeling en ook meer intense samenwerkingen met mensen van wie ze kan leren, Hella Jongerius bijvoorbeeld. Ze droomt ervan om ooit samen te werken met Nasa of ESA. 'Ik haal de meeste inspiratie uit de wetenschap, een materiaal dat ultralicht is en tegelijkertijd megasterk boeit me mateloos. Ik ben gefascineerd door de overlap tussen hi-tech en natuur. Daar wil ik me echt op focussen.'

Tekst: Jessica Gysel
Waèl el Allouche

Waèl el Allouche

Zoals veel andere ontwerpers concentreert Waèl el Allouche zich op data en de mogelijkheden die ze bieden voor creatief onderzoek. Maar binnen dat specifieke veld staat zijn benadering lijnrecht tegenover de verwachte aanpak. In plaats van data te isoleren uit de realiteit of generatieve of parametrische software te gebruiken om ideale modellen of voorspellende simulaties te produceren, is Waèl geïnteresseerd in de materialiteit van informatie en de onlosmakelijke band van data met hun context. Zijn onderzoek gebruikt data niet om problemen 'op te lossen'; in plaats daarvan bestudeert het de geschiedenis van berekening en data in de menselijke cultuur, en tracht het data te verzamelen als een geografisch verankerd, sociaal verstrengeld en fysiek opgevoerd ritueel.

Waèl studeerde Conceptual Design aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en Design by Data aan de École des Ponts in Parijs, maar heeft nooit echt een oplossing gevonden voor existentiële vragen over zijn eigen positie in het veld. Nadenkend over zijn familiewortels in Algerije en Tunesië, ging hij het construct identiteit onderzoeken in uitgebreide geschiedenissen en geografieën van kolonialisme en migratie, waarin dataverzameling en profilering endemisch zijn gebleken. Tegelijkertijd zette hij vraagtekens bij de hedendaagse perceptie van wiskunde en wetenschap, als voorbeelden van Westerse uitvindingen en vooruitgang in plaats van collectieve resultaten van culturele uitwisseling door de eeuwen heen, van de klassieke oudheid tot Byzantium, het Perzische rijk, de islamitische Gouden Eeuw en de Renaissance.

De laatste jaren heeft Waèl een non-lineaire researchmethode ontwikkeld, door zijn onderzoeken uit te voeren als intuïtieve algoritmes, gestuurd door zowel een kinderlijke nieuwsgierigheid als een ethisch oog voor context. In 'Ways of Knowing: Materialising the Gaze' besloot hij zijn eigen kennis te creëren door de kleur van licht te meten op verschillende plekken, gerelateerd aan de geschiedenis van de islamitische wetenschap. Daartoe bouwde hij zijn eigen instrument door een 3D-printer te nemen en de printkop te vervangen door een spectrograaf, een gaatjescamera die een hyperspectrale lichtband meet, van infrarood tot ultraviolet. Het proces waarmee hij originele data verzamelde, bood hem een toegangspoort tot complexe geografieën en geschiedenissen, zoals in zijn huidige veldwerk in Algerije en Tunesië.

Tegelijkertijd duikt hij in de historische verhalen van kennisoverdracht die de ontwikkeling van de Westerse wetenschap hebben gevormd met zijn project 'Orientalising Science—plekken als Béjaïa, in de streek Kabylië in Algerije, waar Fibonacci islamitische wiskunde en de Hindoe-Arabische getallennotatie leerde kennen; of Utica in Tunesië, een van de belangrijkste Punische steden en Romeinse koloniën; of Djerba, een eiland voor de Tunesische kust met een lange historie van Joods-islamitische cohabitatie en handvaardigheid. Op deze locaties kijkt hij naar facetten van hybriditeit, van historische verslagen in institutionele archieven tot architecturale bouwwerken waarin marmeren platen uit Italië, Griekenland en Tunesië zij aan zij liggen. Uiteindelijk biedt Waèl el Allouche noch simpele verklaringen noch datasimulaties; zijn doel is om dialogen aan te zwengelen die gebaseerd zijn op gedeelde bronnen van ontdekking, conflict en identiteit.

Tekst: Tamar Shafrir
Alice Wong
Alice Wong
Alice Wong

Alice Wong

Ben je getrouwd? Deze vraag kreeg Alice Wong dagelijks te horen toen ze in 2016 meerdere onderzoekstrips naar China ondernam voor het Amsterdamse ontwerpbureau Thonik. “Ik raakte geïnteresseerd in de benaming 'leftover women' (overgebleven vrouwen) die werd gebruikt voor ongetrouwde vrouwen in de 20,” legt ze uit. Dit zorgde voor een drijfveer voor haar nieuwe project waarin ze de maatschappelijke druk onderzocht die door de Chinese regering wordt uitgeoefend op ongetrouwde, opgeleide vrouwen.

“Vanwege het één-kind-beleid zijn er juist veel mannen 'over': overbodige mannen.” Wong legt uit dat veel alleenstaande mannen in een gemeenschap kan leiden tot chaos en dat de regering daarom druk uitoefent op vrouwen om met ze te trouwen. Voor het project Leftover Woman maakte Wong een interactieve website die een experiment is in niet-lineaire storytelling door een gegamificeerde film. De gebruiker speelt een jonge hoogopgeleide vrouw in China die een aantal beslissingen moet nemen waarbij de tegenstelling tussen individuele vrije wil en de collectieve wil van een samenleving een rol speelt.

Wong is geboren in Nederland en opgegroeid in Rotterdam en Hongkong. Door haar positie tussen de Westerse en Chinese cultuur in kan ze deze culturele incongruenties onderzoeken vanuit een kritisch maar mededogend perspectief. “Als je iets uitlegt in het Westen en dan aan mensen vraagt of ze het snappen, dan zeggen ze dat ze het begrijpen, maar ook of ze het er wel of niet mee eens zijn,” geeft ze aan. “In China zeggen mensen dat ze het niet begrijpen, terwijl ze bedoelen dat ze het er niet mee eens zijn. Dan komt het erop aan om mensen ertoe te bewegen om het ermee eens te zijn. Beide zijden kunnen iets leren van elkaar.” Zulke culturele eigenaardigheden zien we terug in de opbouw van verhalen.

“Verhalen geven vorm aan dingen die mensen geloven. Op hun eigen manier kunnen ze vorm geven aan samenlevingen en de ideologieën daarvan.” Wong zegt dat ze zichzelf ziet als een verhalenontwerpster, sinds ze in 2015 haar master in Information Design behaalde aan de Design Academy Eindhoven. Haar meervoudig onderscheiden afstudeerproject Reconstructing Reality was een zeer persoonlijk onderzoek naar de omstandigheden rondom de dood van haar vader. Dit bood een inkijkje in de manieren waarop families hun eigen verhalen voor het leven maken en hoe deze zowel bevrijdend als onderdrukkend kunnen zijn. Net als Leftover Women leunt de film op gevonden beelden, wat kenmerkend is voor haar werk.

“Er is tegenwoordig niets nieuws. Zelfs als ik een nieuwe video van de zee zou maken, hoe uniek of anders is die dan ten opzichte van wat ik kan vinden op Shutterstock?” vraagt Wong zich af. Tijdens de Dutch Design Week presenteert ze nieuw werk over de bijna mythische capriolen van Jack Ma, de CEO van Alibaba.com. “Voor mij is het interessanter om iets bestaands door andere ogen te bekijken, dat in een andere context te plaatsen, en vervolgens frictie te creëren en er nieuwe betekenis aan te geven.”

Tekst: Nadine Botha
Anne Geenen
Anne Geenen
Anne Geenen
Anne Geenen

Anne Geenen

Als partner bij het in Mumbai gevestigde architectuur- en ontwerpbureau Case Design heeft Anne Geenen projecten in landen als Indonesië, India en de Verenigde Arabische Emiraten ontworpen en begeleid. Ook is ze medeoprichter van Casegoods, een collectie van meubels, verlichting en objecten die oorspronkelijk voor architectonische projecten is ontwikkeld maar nu ook daarbuiten wordt verkocht. Anne's ontwerpen zijn altijd sterk verbonden met de plek waar wordt gebouwd. Zo wordt er veel met lokale materialen gewerkt, net als met traditionele technieken en detaillering, die altijd op hedendaagse wijze worden toegepast.

Ambachtslieden spelen een grote rol in haar praktijk, die stoelt op de overtuiging dat wanneer andere experts ruimte krijgen om hun deskundigheid en creativiteit aan een project toe te voegen, de uitkomsten van een hoger niveau zullen zijn. Door delen van een ontwerp pas later in het proces in te vullen nodigt ze vaklui, eindgebruikers en anderen uit voor een dialoog over de uitwerking. Keuzes voor materiaal, ruimtelijke inrichting en afwerking komen zo gaandeweg tot stand. Als architect presenteert ze vaak geen definitief ontwerp maar gebruikt ze schetsen, maquettes en mockups als gelegenheid tot gesprek en gedeeld eigenaarschap.

De sterke maakcultuur in India – gekenmerkt door een grote aanwezigheid van ambachtsmensen, een lage mate van standaardisering en de notie dat details zich geleidelijk kunnen uitkristalliseren – heeft haar werkwijze mogelijk gemaakt en versterkt. De mentaliteit van collectieve inspanning wordt toegepast op verschillende schalen: van productontwerp en tentoonstellingsvormgeving tot gebouwen en landschapsarchitectuur.

Na vijf jaar voornamelijk vanuit Mumbai te hebben gewerkt heeft Anne de ambitie om de door haar ontwikkelde werkwijze uit te breiden naar Nederland en Europa. In dit deel van de wereld gelden vaak andere bouwconventies dan in India maar relaties tussen verschillende professies kunnen volgens haar interessanter worden opgebouwd. Door bijvoorbeeld een onconventioneel materiaal als sloopafval te hergebruiken wordt een creatief gesprek tussen aannemer en architect geforceerd, zodat samen wordt nagedacht over ontwerp en detaillering. Ook onderzoekt Anne hoe bouwprocessen wat betreft samenwerking en materialen in een Europese context meer plaatsgebonden kunnen zijn. Presentatiemomenten op onder andere de Architectuurbiënnale van Venetië hebben geholpen op haar praktijk te reflecteren en deze te verduidelijken.

Tekst: Mark Minkjan
Camiel Fortgens
Camiel Fortgens
Camiel Fortgens
Camiel Fortgens

Camiel Fortgens

“Maar waarom dan?” Deze simpele vraag is voor modeontwerper Camiel Fortgens leidend. De vraag stellen leidt voor hem tot vernieuwing. Waarom is de norm zoals die is? Waarom ziet iets eruit zoals het eruit ziet? Om vervolgens van die standaard af te wijken.

Fortgens is niet opgeleid als modeontwerper, maar studeerde aan de Design Academy Eindhoven. Een ontwerpopleiding waar bij uitstek geleerd wordt om dingen zelf uit te vinden, trial & error, en open te staan voor toevalligheden en inspirerende 'fouten'. Het modevak heeft hij dus in de praktijk geleerd. Hij tekent en knipt niet patronen 'zoals het hoort', maar gebruikt onder andere tweedehands kleding als basis en 'boetseert' met kleren totdat er nieuwe vormen en ideeën ontstaan.

Voor zijn eerste collectie stuurde hij modellen gekleed in oversized, archetypische kleding de catwalk op, met als ondersteuning niets anders dan het geluid van voetstappen. Een kaal effect, makkelijk op te vatten als commentaar op de glitter en glamour van de modewereld. Het snelle en commerciële van mode staat Fortgens tegen. Evenals het schermen met duurzaamheid als PR-middel. Toch blijken de modeconventies niet zo makkelijk te doorbreken. De Fashion Weeks zijn nog altijd leidend voor de inkoop door winkels. En verantwoord produceren op kleine schaal is een grote uitdaging.

Inmiddels is Fortgens zes collecties verder. Nu er vraag is naar wat hij doet, voelt hij de ruimte om normen proberen te veranderen, meer te gaan dicteren. Als een Trojaans paard, van binnenuit. Voor zijn nieuwste collectie wil hij de grenzen van draagbaarheid en herkenbaarheid oprekken. Om zijn boodschap kracht bij te zetten, is Fortgens ook op zoek naar andere vormen van communicatie. Zo wil hij een fotoboek maken en zijn website een prominentere plek geven. Online is nog veel ruimte voor experiment en de mogelijkheid om zoveel mogelijk mensen bij zijn werk te betrekken.

Volgens Fortgens is het taboe anno 2018 'het echte'. De realiteit van zijn generatie ziet hij nauwelijks gereflecteerd in de beelden die de modeindustrie voorschotelt. Kleding is bij uitstek geschikt om de schijn op te houden en identiteit en omgangsvormen te bepalen. Meer nog dan het verduurzamen of verlangzamen van mode, wil Fortgens in zijn kleding een tijdsgeest vastleggen en een nieuw soort realisme aansnijden, als tegenreactie op al het 'fake'. In een wereld waarin er eigenlijk al genoeg kleding is, probeert hij een cultureel middel te zijn om vragen te stellen bij hoe we leven. En vooral: waarom dan?

Tekst: Victoria Anastasyadis
Carlijn Kingma
Carlijn Kingma
Carlijn Kingma
Carlijn Kingma

Carlijn Kingma

Tot in de twintigste eeuw werden maatschappelijke vergezichten regelmatig verbeeld, vaak met architectuur als expressie van idealen. In de afgelopen decennia lijkt de productie ervan te zijn stilgevallen. Carlijn Kingma is in dit voorstellingsvacuüm gestapt en heeft de kunst van het vergezicht tot haar praktijk gemaakt. Anders echter dan veel van de wervende techno-utopische of sterk politieke toekomstperspectieven uit de geschiedenis, zijn Carlijns overrompelende tekeningen beschouwend, genuanceerd en meerstemmig.

Om verhalen te vertellen over menselijke ambities, sociaal-politieke geschiedenissen en mogelijke toekomstscenario's gebruikt ze architectuur – waarin ze is afgestudeerd – als medium. De taal van de bouwkunst spreekt tot de verbeelding, waardoor het de metaforische kracht heeft om het verhaal van de mensheid te vertellen en ons denken over de toekomst aan te wakkeren. Anders dan gangbaar in de moderne beeldcultuur is architectuur in Carlijns werk geen eindbeeld met de pretentie van perfectie, maar een open suggestie naar een toekomst in wording. Haar cartografie van ideeën volgt paden uit de geschiedenis en extrapoleert ze naar mogelijke toekomstroutes.

De metersgrote tekeningen zijn complexe beeldkaarten die vaak meerdere werelden naast elkaar tonen om keuzes te verbeelden waarvoor de mensheid zich bevindt. De complexiteit van het werk zit niet alleen in het fijnmazige tekenwerk, maar ook in de gedachtewerelden die worden gerepresenteerd. De beelden nodigen de kijker uit erin te verdwalen en na te denken over de wenselijkheid van diverse sociaal-politieke manifestaties door zowel hun schoonheid als schaduwzijden te laten zien. Ze zijn een oproep ter verdieping, waarmee Carlijn mensen hoopt te enthousiasmeren voor grote en kleine verhalen uit verschillende culturen en tijden.

Voor de totstandkoming van de tekeningen werkt ze altijd samen met andere wetenschappers, architecten, kunstenaars of schrijvers. Hiermee voedt ze haar eigen onderzoek naar thema's als kapitalisme, religie en technologie en maakt ze voorstellingen van de ideeën van anderen. Bij een tekening verschijnt altijd een publicatie en een verkenningsvideo.

Momenteel ontwikkelt Carlijn aanvullende methodes om de uitgebeelde verhalen en werelden over te brengen. Ook wil ze haar publiek uitnodigen met haar en elkaar in gesprek te gaan. Hiervoor worden verschillende media ingezet, waaronder hoorspelen, performatieve situaties en presentaties waarin een deel van het onderzoek wordt ontsloten. Professioneel heeft ze haar praktijk verder gebracht door een ontwerper in te huren voor de vormgeving van dialogen rond haar werk.

Tekst: Mark Minkjan
Chen Jhen

Chen Jhen

Grafisch ontwerpers in Nederland proberen door middel van hun werk al meer dan 50 jaar lang de parameters van onderzoek, subjectiviteit en mediarepresentatie te verkennen. Jan van Toorn heeft hierin altijd een belangrijke rol gespeeld. Vandaag de dag is de Taiwanese designer Chen Jhen de belichaming van deze methode van kritische reflectie en experiment, waarbij zij fundamentele vragen stelt over hoe we plaatsen, mensen en dingen begrijpen. Is het mogelijk om een onbevooroordeelde indruk te krijgen van een stad ergens ver weg, in een tijd waarin we worden overspoeld door satellietkaarten en sociale media met geo-tagging? Wat betekent het eigenlijk om een gebeurtenis vast te leggen en hoe is dit proces anders naarmate iemand zich native of foreign voelt met betrekking tot de culturele context? Hoe is daarnaast de praktijk van hedendaags graphic design verweven met de idee van een persoonlijke identiteit en agenda?

Het afgelopen jaar, na het afronden van haar studie aan de Design Academy Eindhoven, onderzocht Jhen deze thema's. Ze bouwde hierbij verder op haar masterscriptie, waarin ze de Taiwanese identiteit, de synthetische cultuur en taal van Taiwan, en de iconografie van de voormalige leider Chiang Kai-shek onderzocht. Terugkijkend op dit project realiseerde ze zich dat haar zoektocht naar de factoren die Taiwan anders maken dan China zelf een politieke onderneming was geworden. Vorig jaar stelde ze zichzelf ten doel om naar een onbekende plaats te reizen en deze te bestuderen vanuit een onbevooroordeeld perspectief. Maar toch – en ondanks dat ze de stad nog nooit had bezocht – leken haar foto's en observaties van Jakarta een gevoel van snelheid, dichtheid en sociale ongelijkheid te hebben die Chen op passieve wijze via de media had meegekregen.

Jhens nieuwste werk vraagt zich af wat het betekent om een veel banaler onderwerp te observeren, namelijk iemand die zit te lunchen. Tijdens haar lunches op het werk in Nederland maakte Jhen bijna obsessief gedetailleerde notities over het gedrag van de personen tegenover haar, inclusief wat ze aten, in welke volgorde ze dat deden, hoe ze hun lichaam bewogen, hoe ze hun bestek vasthielden, hoe ze dingen op hun bord legden, wat ze niet opaten. Ze legde haar notities vast als een script dat de basis vormde voor een optreden door een Taiwanese acteur die, evenals Jhen, niet bekend was met Nederlandse eetgewoonten. Net als Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs van Georges Perec onderzoekt het werk van Jhen de rol van de toeschouwer, de taal en de lezer bij het vastleggen van een complexe en zich ontvouwende realiteit in documentaire vorm.

Tekst: Tamar Shafrir
Daniel de Bruin
Daniel de Bruin
Daniel de Bruin
Daniel de Bruin

Daniel de Bruin

“Ik kan ze gebruiken. Ik kan ze slopen. Ik kan ze opnieuw bouwen. Instinctief bouw ik altijd machines.” Daniel de Bruin is (nog) geen filosoof, maar ondanks zijn oprechtheid – die van een man die met zijn handen creëert en denkt – laten de inzichten van zijn interactieve tentoonstellingsapparaten een diepgang zien die bij deze woorden past. Tot zijn werken behoren het eenvoudige Opal, wat in essentie een kinderspel is waarbij wordt gespeeld met jaloezieën om de fijne tactiliteit en onschuld van onze huiselijke omgeving op te roepen; het verontrustende j8d-001001-s (gemaakt in samenwerking met Jelle Mastenbroek), dat beschrijft hoe toezicht op iedere stap die we zetten een onderdeel is geworden van onze leefomgeving; en het uitgebreide Moniac, een analoge installatie die toeschouwers uitnodigt om deel te nemen aan een mechanisch financieel systeem om abstracte economie er begrijpelijker uit te laten zien. Het werk van De Bruin is onmiskenbaar dat van een diepzinnige denker, iemand die zichzelf uitdrukt door te sleutelen in plaats van door taal.

“Soms lijkt het alsof machines leven,” aldus de ontwerper, die heen en weer pendelt tussen Utrecht en Soesterberg. Het liefste gaat hij direct aan de slag met zijn stukken, in plaats van veel tijd te besteden aan plannen en onderzoek, zodat het proces de stuwende factor achter zijn creaties is. Hij rondde in 2015 een masteropleiding in Product Design af aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, maar hij ontdekte zijn creatieve inspiratie pas echt toen hij stage liep als modelmaker bij een architect. Om financiële systemen te begrijpen voor zijn stuk Moniac, heeft hij negen maanden onderzoek gedaan door te kijken naar YouTube-video's en te spreken met experts. Hij biecht echter op dat hij daar weinig plezier aan heeft beleefd.
De divergentie tussen ontwerper en ontwerpproces, die steeds groter is geworden door de toename van computergestuurd maken, vormde de inspiratie voor De Bruins analoge 3D-printer. Voor deze printer is daadwerkelijke fysieke input van de designer nodig. “Ik wilde een relatie met de machine hebben en niet simpel het daadwerkelijke maakproces aan het apparaat overdragen,” legt hij uit. De relatie tussen mens en machine heeft alleen invloed op de mens, maar De Bruin wilde onderzoeken of de machine ook kon worden beïnvloed door interactie met de mens. De Neurotransmitter 3000 is een eenpersoons achtbaan. De machine reageert op biometrische gegevens van de inzittende.

De Bruin geeft aan dat hij niet veel tijd heeft om met zijn eigen projecten bezig te zijn. Hij wordt voortdurend gevraagd door klanten variërend van musea en marketingbureaus tot andere designers. Een van zijn meest recente opdrachten, een nieuwe samenwerking met Maasenbroek, wordt tijdens de Dutch Design Week in het Eindhoven Museum gelanceerd. Op dit moment werkt hij echter aan een serie geavanceerde flipperkasten. Hij hoopt dat hij hier een echt productassortiment van kan maken.

“Het is een basisemotie,” zegt hij op zijn typische droogkomische manier als ik hem vraag om wat meer te vertellen over de humor waarmee zijn werk is doorspekt. “Het werkt voor veel mensen en het werkt voor mij. Ik houd er niet van om superserieuze dingen te doen.”

Tekst: Nadine Botha
Frank Kolkman
Frank Kolkman
Frank Kolkman
Frank Kolkman

Frank Kolkman

Terwijl nieuwe technologieën vrijwel alle aspecten van menselijk leven beïnvloeden, blijft de culturele conventie van tweedeling tussen mens en technologie, tussen analoog en digitaal, hardnekkig. In de praktijk van experimenteel ontwerper Frank Kolkman staan speculatieve werken centraal die de evolutie van mensen en technologie als verwoven proces tonen. Met zijn werk laat hij technologie nieuwe perspectieven verschaffen op de menselijke conditie en culturele normen.

Hoewel er tegenwoordig andere technologieën en nieuwe mogelijkheden bestaan, zit de belofte van technologie nog vast in twintigste-eeuwse sjablonen. Frank beoogt een inclusiever voorstellingsvermogen rond technologie, voorbij het nauwe idee van hyperefficiëntie en gestoeld op een diversiteit aan idealen en belevingen. Technologie is niet neutraal en kan niet alleen worden ontwikkeld vanuit de belevingswereld van welvarende witte mannen van middelbare leeftijd uit de Bay Area. Daarom probeert Frank discussie over technologie in het publieke domein te brengen, zodat het een sociaal-politiek onderwerp wordt dat niet alleen aan techneuten is voorbehouden. DIY en open source zijn terugkerende thema's, waarmee technologische dictaturen, de illusie van foutloos ontwerp en de gedachte dat eindgebruikers niets aan producten kunnen toevoegen ter discussie worden gesteld.

De speculatieve ontwerpen dragen bij aan een kritisch discours rond productontwerp. Daarin is het discipline achtergebleven bij andere creatieve velden, terwijl schaalvergroting en gegroeide potentiële invloed daar wel om vraagt. Daar waar het meeste productontwerp zelfbevestigend is, zijn de ontwerpen van Frank zelfbevragend. Het werk suggereert nabije toekomsten waarin voorhanden, veelal nieuwe technologie op manieren wordt gebruikt waarvoor nog geen conventies bestaan en die ethische dilemma's opwerpen. Door de combinatie van fictie en realiteit geven de installaties het publiek een beginpunt van waaruit kan worden gedacht over de wenselijkheid van bepaalde technologieën en toekomstbeelden.

Initieel richtte Frank zich voor de ontwikkeling zijn praktijk voornamelijk op autonoom werk waarin morele grenzen rond technologische innovaties in geestelijke en lichamelijke gezondheid wordt verkend. Daarin werkte hij al samen met wetenschappers, medisch specialisten en kunstenaars. In het afgelopen jaar kwamen ook samenwerkingen tot stand met onderzoeksinstellingen en bedrijven, waarin een deel van zijn onderzoek wordt uitgevoerd en ontwerpen worden gerealiseerd. Hierdoor kunnen grotere projecten ontstaan en ontwikkelt Frank zichzelf eveneens tot mediator. Zo creëert hij condities die andere ontwerpers en studenten helpen tot ontwerp te komen vanuit nieuwe invalshoeken. Terwijl zijn autonome praktijk blijft groeien, wordt hierdoor ook zijn ontwerpfilosofie breder uitgedragen.

Tekst: Mark Minkjan
Isabel Mager
Isabel Mager
Isabel Mager
Isabel Mager

Isabel Mager

Elf jaar geleden herdefinieerde Apple de smartphone met hun eerste iPhone. Het valt niet te ontkennen dat dit apparaat de wijze waarop we communiceren, werken, liefhebben en zelfs lopen volledig heeft veranderd. Minder duidelijk is dat de iPhone ook een radicale wijziging van geografische landschappen, economische bestaansmiddelen, politiek en de soevereiniteit van bedrijven heeft bewerkstelligd. Juist deze ingewikkelde, subtiele gevolgen van een zeer zichtbaar apparaat trekken de aandacht van ontwerper Isabel Mager. Zij is kortgeleden voor vijf maanden naar Shenzen, Beijing en het platteland van China gereisd om “de productieroute van de smartphone terug te volgen”.

De ontwerpster, afkomstig uit Rotterdam, is geïnteresseerd in de impact van verborgen infrastructuren. Dit is al zo sinds ze als studente een project uitvoerde dat zich richtte op elektronisch afval dat naar Rwanda wordt gestuurd. In 2016 behaalde ze haar bachelorgraad aan de Design Academy Eindhoven met 5000times. Dit project was een analyse van verschillende mediabronnen om een onvolledige lijst op te stellen van het handwerk dat menselijke arbeiders moeten uitvoeren bij de bouw van smartphones, tablets en laptops. Alle informatie werd verzameld door nieuwsartikelen door te spitten over uitgebuite werknemers in smartphone-, tablet- en laptopfabrieken, en door geheime filmopnamen van het werk in deze fabrieken op YouTube te analyseren. Tijdens het onderzoek is ook een aantal apparaten uit elkaar gehaald en gesneuveld. Een durational performance van een ploegendienst toonde de beperkte choreografie van werknemers aan: dit heeft al velen tot zelfmoord gedreven.

“Ik vind dat design research eigenlijk gaat over reflecteren op, het begrijpen van en op bepaalde manieren ook wijzigen van de materiële wereld waarin we leven.” Mager schrijft ook over haar bevindingen, waaronder een paper over 5000times in het tijdschrift Decolonising Design. Ze vindt het echter wel belangrijk om de resultaten te presenteren in de materiële ontwerptaal van het onderwerp: “Ik vind het echt prachtig dat je daadwerkelijk vrij complexe dingen kunt communiceren door middel van ontwerptalen, grammatica en materialiteit, waardoor de complexiteiten lekker tastbaar worden.”

Ze heeft deze kenmerkende aanpak – met diepgravend onderzoek en analyses, beschouwd door een bril van economie en invloedssferen, en weergegeven in een artistieke en performatieve herinterpretatie – al toegepast op onderwerpen zoals de voedselindustrie, stedelijke winkelgebieden en de zeecontainerindustrie. In samenwerking met politiek wetenschapper Daniel Urey en ontwerper Gabriel Maher voert ze ook een langdurig onderzoeksproject uit dat draait om het concept van 'het podium' – een object waarop een gesproken handeling plaatsvindt – waarbij wordt onderzocht hoe terugkerende ontwerppatronen historisch en cultureel worden gebruikt om macht uit te drukken.

Over haar aankomende onderzoek in China zegt ze zelf dat ze is geïnteresseerd in de “resterende kolonialiteit van zo'n jonge industrietak” en in het bijzonder in hoe waarde en macht nog steeds ongelijk worden verdeeld: tussen arbeider en producent, tussen het lage marktaandeel van Apple en de hoge winsten, tussen de positie van de internationale gemeenschap met betrekking tot mensenrechten in China en de status van het land als handelsnatie en belastingparadijs. Ze erkent dat ze zich als ontwerper, en dan met name als kritische research designer die geen verhandelbaar product hoeft te maken, bovenin de piramide van waarde en macht bevindt: “Hoe kan ik dat gebruiken om duidelijk te maken dat design altijd een combinatie van innovatie en afbraak is?”

Tekst: Nadine Botha
Jason Hansma
Jason Hansma
Jason Hansma
Jason Hansma

Jason Hansma

Jason Hansma studeerde in 2013 af aan de master Fine Art van het Piet Zwart Instituut in Rotterdam. Hansma onderzoekt de maatschappelijke impact van algoritmes en digitale beeldcultuur vanuit een cultureel en politiek oogpunt. In het komende jaar doet Hansma onderzoek naar de het archiveren van afbeeldingen en teksten in een slimme database waaruit creatieve output kan worden gegenereerd door het versmelten of samenbrengen van het beschikbare materiaal.
Joana Chicau
Joana Chicau
Joana Chicau
Joana Chicau

Joana Chicau

Sommige dansvormen, zoals ballet of volksdansen, lijken tijdloos en onveranderbaar. Ze bestaan al eeuwenlang, gebruikmakend van dezelfde bewegingen en muziek. Andere dansvormen reageren echter op specifieke culturele, fysieke of technische omstandigheden, net als design of visuele kunst. Butoh ontstond bijvoorbeeld in Japan in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, als een reactie op de diepe pijn en maatschappelijke onrust die het gevolg was van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki en de start van de snelle industrialisatie. Tegen de jaren negentig deed de computer zijn intrede in de danswereld via het werk van choreografen zoals Merce Cunningham. Hierdoor ontstond een directe relatie tussen het lichaam en digitale processen.

De Portugese ontwerpster Joana Chicau zet deze traditie voort door haar achtergrond als danseres te combineren met haar opleiding op het gebied van media design. Chicau, die haar master afrondde aan het Piet Zwart Instituut in Rotterdam, werd aangetrokken door het bredere blikveld bij Nederlandse grafisch ontwerpers. Zij maken gebruik van methodes en media die veel verder gaan dan de traditionele middelen voor visueel ontwerp en drukwerk. Ze benadert design niet alleen door technologische kennis op te doen, bijvoorbeeld over programmeren, maar ook door kritisch te staan tegenover de manier waarop deze technologieën controlesystemen en vooraf bepaalde resultaten produceren voor de mensen die ze vormgeven of gebruiken of ermee te maken krijgen. Haar werk bevraagt de issues van handelend vermogen, de gebruiker, computercode als taal of script, en fysieke interactie met digitale technologie. Bovendien kan computercode tijdens haar live 'choreografische programmeersessies' worden beschouwd als zowel een soort materiaal als actie, die normaliter verborgen blijft achter vlotte digitale interfaces of kantoorkolossen van grote bedrijven.

Het werk van Chicau laat een recente verschuiving zien in het ontwerpdiscours. Fysieke praktijk en performance treden meer op de voorgrond in plaats van objecten en technologie. Ze deconstrueert de website als een soort antropomorfische structuur met een hoofd (header) en een lichaam (body): de header bevat meestal meta-informatie, externe data en Javascript-functies, terwijl de body meer een secundaire contentcarrier is. Door middel van workshops, discussies en performances brengt ze diverse community's en skillsets bijeen. Veel van die skillsets vallen overigens buiten het conventionele ontwerpveld. Ze doet dit voornamelijk om te onderzoeken wat de effecten van media design zijn op hoe we ons bewegen en gedragen in de fysieke en virtuele ruimte. Ondanks dat het tot stand brengen van zo'n hybride en experimentele onderzoekspraktijk een enorme uitdaging is, blijft ze zich inspannen om mensen te emanciperen en een element van kritiek aan hun leven toe te voegen.

Tekst: Tamar Shafrir
Jos Klarenbeek
Jos Klarenbeek
Jos Klarenbeek
Jos Klarenbeek

Jos Klarenbeek

Jos Klarenbeek is in 2015 afgestudeerd aan de Design Academy Eindhoven in de richting 'Man and Public Space'. Als ontwerper is hij geïnteresseerd in het toegankelijk maken en vertalen van complexe data. Komend jaar wil hij zich focussen op data van satellieten. Tegenwoordig is een ongekende hoeveelheid ruwe data van de aarde gratis beschikbaar, zoals temperatuurkaarten of de golfbewegingen van oceanen. Deze data wordt door onderzoekers en de wetenschap gebruikt, maar blijft door de gebruikte codering voor het brede publiek ontoegankelijk en onbruikbaar, terwijl het een interessante bron kan zijn voor bijvoorbeeld ontwerpers. Om deze kloof te dichten is Klarenbeek van plan verschillende tools te ontwikkelen waarmee satellietdata gekoppeld kan worden aan bijvoorbeeld een weefgetouw of CNC/machine. Hiervoor wil hij een artist in residency doen bij PlanetLabs in San Francisco. Daarnaast gaat hij een samenwerking opzetten met Aliki van der Kruijs, waarin zij hun kennis willen bundelen en realtime golfinformatie van de Waddenzee gebruiken als een ontwerpvariabele.
Julia Janssen
Julia Janssen
Julia Janssen
Julia Janssen

Julia Janssen

Vandaag de dag is media-inzicht een cruciaal onderdeel van een verantwoordelijke en zelfbewuste benadering van digitale netwerktechnologie. In een tijd waarin bijna al onze online activiteiten worden verwerkt om persoonlijke gegevens te ontsluiten, hebben we allemaal een specifieke waarde die wordt vastgesteld op basis van onze onderling verbonden online profielen. Onze identiteiten zijn verworden tot consumptiegoederen voor dataverzamelaars en analisten, die hun geld verdienen door deze informatie in te zetten als voorspellende indicatoren of criteria voor gerichte reclame. De Nederlandse ontwerpster Julia Janssen raakte voor het eerst geïnteresseerd in het idee van persoonlijke gegevens als betaalmiddel tijdens haar afsluitende project aan de ArtEZ University of the Arts in Arnhem. Voor haar bachelor afstudeerproject Bank of Online Humanity verzamelde Janssen verschillende online typologieën die waren gebaseerd op individuele kenmerken, van 'oppervlakkige ambitieloze spaarders' tot 'geïnformeerde verwaande genieters', elk met bepaalde gedragspatronen en waarde in het netwerk.

Dit jaar hield Janssen zich bezig met het onderzoeken van de betekenis van de 'online gebruiker'. Hiervoor vertaalde ze haar onderzoek in een fysieke installatie die bestaat uit verschillende spellen die zich elk richten op een bepaald aspect van haar bevindingen. Ze ontwerpt hulpmiddelen voor mensen, zodat ze kunnen begrijpen hoe ze worden gevolgd en gekwantificeerd. Niet alleen op sociale media, maar ook met betrekking tot hun gezondheid, financiën, levensfase en online browsergeschiedenis. Deze gegevens worden binnen diverse platforms en systemen gecombineerd om complexere profielen samen te stellen. Verschillende profielen hebben ook een verschillende financiële waarde: profielen van zwangere vrouwen worden bijvoorbeeld gezien als zeer lucratief, omdat zij vaak nieuwe producten kopen voor hun baby, huis of voor zichzelf. Daarnaast maakt Janssen een spel dat is gebaseerd op gokkasten, waarbij mensen met hun gegevens betalen om gratis te mogen gokken. Volgens Janssen zijn we het product van onze persoonlijke informatie.

Tijdens haar onderzoeken heeft Janssen de grenzen van haar ontwerpdiscipline overstegen: haar onderzoek toont aan dat veel sociale combinaties en categorisaties als gevolg van massale gegevensverzameling onzichtbaar zijn voor de eindgebruiker, maar zeer belangrijk zijn voor de organisatie die de gegevens verzamelt, beheert of analyseert. Om een duidelijk beeld van de stand van zaken te krijgen, sprak ze met gedragswetenschappers, datajournalisten, cybersecurity-experts en analisten van de Rabobank en KPMG, evenals onderzoekers van het Institute for Information Law van de Universiteit van Amsterdam. Ze gelooft dat ze door te werken binnen de context van kunst en design deze thema's speculatiever, vreemder, sceptischer en luchthartiger kan onderzoeken. Hierdoor ontstaat een open en creatieve reactie op issues die buiten onze macht lijken te liggen.

Tekst: Tamar Shafrir
Karim Adduchi
Karim Adduchi
Karim Adduchi
Karim Adduchi

Karim Adduchi

Mode heeft een luide stem, maar wat wil je uitschreeuwen? Modeontwerper Karim Adduchi wil vooral verhalen vertellen en een sociaal aspect aan het maakproces toevoegen. Zoals hij zelf zegt: “Creating community, never being political, just social.”

Al op de Gerrit Rietveld Academie viel hij in 2015 op met zijn afstudeershow, She knows why the caged bird sings, geïnspireerd op erfgoed uit zijn geboorteland Marokko. Zijn tweede presentatie genaamd She lives behind the court yard door – de opening van de Amsterdam Fashion Week – was een eye opener en een keerpunt: zo niet verder. Na de relatieve vrijheid van de academie voelde de professionele modewereld met zijn ijzeren ritme en hooggespannen verwachtingen als een keurslijf. Zijn volgende project moest een statement worden: geheel op eigen voorwaarden, volgens zijn eigen visie.

Voor de collectie She has 99 names heeft Adduchi samengewerkt met non professionals: met huisvrouwen, studenten en vluchtelingen. Door mensen van buiten de modewereld te betrekken, probeert hij een zekere onschuld, frisheid en plezier terug te brengen in het ontwerpen. Daarnaast had Adduchi tot doel hen een platform, CV en een netwerk te geven. Door alle werkzaamheden – van het naaien tot het doorpassen met modellen – in dezelfde studio te situeren, probeert hij iedereen te betrekken bij het geheel en een 'community' te laten ontstaan. Aangezien de vaardigheden sterk uiteenlopen, is het zoeken naar de juiste samenwerkingen. De meegebrachte ervaringen, ambachten en verhalen vormen een belangrijke inspiratiebron voor Adduchi. In totaal hebben ongeveer 25 mensen meegewerkt.

Ook in deze collectie waren weer veel verwijzingen naar Adduchi's roots, zoals borduursels geïnspireerd op Noord-Afrikaanse mozaïeken en traditionele patronen. De modeshow werd buiten het seizoen in een kerk getoond. Een statement, zowel qua timing als locatie. Door de grote media-aandacht die de presentatie – zelfs al van tevoren – heeft gegenereerd, is de naam en identiteit van Adduchi als 'sociale modeontwerper' gevestigd.

De sociale impact en opzet van ontwerppraktijken krijgt steeds vaker aandacht. Hierdoor wordt niet alleen het product, maar juist ook het proces belangrijk. Dat is soms lastig tot uitdrukking te brengen in een eindresultaat. Steeds meer makers bedienen zich van sociale media om een inkijkje te bieden in het ontstaan- en ontwikkelproces van hun ideeën. Adduchi communiceert over het achterliggende idee vooral in woord, tijdens interviews en lezingen, en in persberichten. De gezichten achter zijn collectie stonden even in de schijnwerper op de catwalk, maar uiteindelijk zijn het de kledingstukken die het verhaal moeten vertellen.

Tekst: Victoria Anastasyadis
Koos Breen
Koos Breen
Koos Breen
Koos Breen

Koos Breen

Koos Breen studeerde in 2014 af aan de bachelor Grafisch Ontwerpen aan de KABK in Den Haag. In het komende jaar wil hij zijn werkwijze als 'holistisch ontwerper' verder uitdiepen. Hij formuleert voor zichzelf een serie opdrachten die op elkaar voortborduren. In deze opdrachten daagt Breen zichzelf uit om nieuwe technieken en toepassingen te verkennen en eigen te maken. Hierbij denkt hij aan weven, 3D tuften, metaal gieten en glas-, keramiek-, en kunststofbewerking. In zijn ontwikkeling schakelt hij verschillende coaches in, zoals curator Matylda Krzykowski en ontwerper Bertjan Pot.
Lilian van Daal
Lilian van Daal
Lilian van Daal
Lilian van Daal

Lilian van Daal

Kunststof zorgde in de twintigste eeuw voor een revolutie in stoelontwerp. Nu is daar een mogelijkheid aan toegevoegd: driedimensionaal printen. Ontwerper Lilian van Daal onderzoekt de mogelijkheden om maximaal comfort en functionaliteit uit deze relatief nieuwe techniek te halen.

Van Daal viel in 2014 al op met haar afstudeerproject, een geprinte stoel waarin geavanceerde techniek gecombineerd wordt met biomimicry; het 'leren van de natuur' om zo producten of processen te verduurzamen en optimaliseren. Natuurlijke verschijnselen bestuderen, analyseren en implementeren is volgens haar het antwoord voor een meer duurzame ontwerppraktijk. De aanschaf van het beroemde boek Kunstformen der Natur, van de negentiende eeuwse zoöloog Ernst Haeckel, is misschien wel een van haar belangrijkste investeringen van het afgelopen jaar. De gedetailleerde tekeningen zijn een onuitputtelijk bron van inspiratie.

Nu ze haar vaste baan bij een ontwerpbureau heeft opgezegd, is de weg vrij voor meer experiment en samenwerking. Tijdens een business challenge werd Van Daal aan Oceanz gekoppeld, een Nederlands 3D-printbedrijf. Ze is aan de slag gegaan met een door hen ontwikkelde recyclebare kunststof. Met behulp van dit nieuwe materiaal is ze gaan proberen haar afstudeerstoel, tot dan toe nog een schaalmodel (1:2), op ware grootte uit te voeren. Om dit te realiseren is Van Daal verder gedoken in de software en het digitaal tekenen van structuren om zo de modellering en productie efficiënter te maken. Het probleem zit namelijk in het bereik van de printer: die is beperkt. Waar de schaalmodellen in één keer uit de machine rolden, moeten er nu losse onderdelen geprint worden. Met efficiënte connectiepunten (zoals te vinden in de natuur) verbindt ze die aan elkaar, zonder lijm. Lijm maakt meubels – met name banken – namelijk slecht recyclebaar, een grote frustratie voor Van Daal.

De uitkomst van de samenwerking, Radiolaria (vernoemd naar micro-organismen met een bijzondere structuur), wordt tijdens de Dutch Design Week 2018 in Eindhoven gepresenteerd. Zowel de productietijd als de productiekosten zijn gehalveerd. Voor de uiteindelijke versie had ze maar één kans om te printen, met slechts een paar proefjes vooraf. Ook hier betreft het dus weer een prototype, dat nog moet worden doorontwikkeld.

Meer nog dan op een eindproduct, richt Van Daal zich op procesverbetering, inclusief recycling. Het is voor haar waardevoller om productietijd en energieverbruik naar beneden te brengen dan een trendy stoel te ontwerpen. Deze attitude past in een tijd waarin kritisch naar de duurzaamheid van ontwerpen wordt gekeken. Heeft de wereld nog een nieuwe stoel nodig? Ja, een duurzame.

Tekst: Victoria Anastasyadis
Manon van Hoeckel
Manon van Hoeckel
Manon van Hoeckel

Manon van Hoeckel

Contact met 'de ander' is het middelpunt van de praktijk van social designer Manon van Hoeckel. Vanuit een breder maatschappelijk perspectief gaan haar ontwerpen over de toenemende verwijdering tussen bevolkingsgroepen en de mogelijke politieke gevolgen daarvan. Ze ziet een samenleving waarin het beeld van vreemden is gebaseerd op berichten uit media en van sociale platforms en steeds minder op persoonlijke ervaringen.

Meer direct gaat het werk om het bevorderen van lokaal contact, waarbij het delen van een plek of een voorziening een gevoel van lokale veiligheid en sociale verbondenheid kan geven. Verrassende ontmoetingen kunnen het inlevingsvermogen in andermans perceptie vergroten en zelfs sociaal isolement verzachten. Tegelijkertijd herkent Manon een algemene tendens om plekken, systemen en producten zo efficiënt mogelijk te ontwerpen, terwijl juist frictie en inefficiëntie kunnen zorgen voor onverwachte situaties en contact met anderen.

De ontwerpen van Manon zijn daarom altijd gericht op ontmoeting en dialoog. Ze gelooft niet in het organiseren van bijeenkomsten maar des te meer in het ontlokken van een gesprek rond praktische menselijke behoeften. Zo moeten mensen van allerlei achtergronden hun was doen, hun haar laten knippen of pakketjes afhalen. Door interventies te ontwerpen rond deze praktische schakels in de maatschappij worden ongedwongen ontmoetingen gecreëerd, die op allerlei manieren kunnen worden geladen met een aanzet tot gesprek. Zo kunnen specifieke gespreksonderwerpen worden geïntroduceerd die relevant zijn voor de personen die deelnemen, voor de locatie waarin het werk is gesitueerd en voor het bredere debat. Ook kunnen meningen en verhalen worden verzameld van mensen die hun stem minder (kunnen) laten gelden in democratische processen of het publieke domein. Door de nuttige voorzieningen op een voetstuk te plaatsen laat Manon bovendien het sociale belang van collectieve plekken en publieke beroepen zien.

Anders dan aanvankelijk haar voornemen was, heeft Manon ervoor gekozen zichzelf meer als ontwerper in een web van samenwerkingen te plaatsen en niet een studio met meerdere werknemers op te richten. Ook wil ze minder gehele projecten autonoom tot stand brengen door meer onderdelen uit te besteden. De duidelijke en tegelijkertijd grenzeloze kern van haar werk – het veroorzaken van ontmoeting – maakt dat ze haar praktijk nog in velerlei vormen, gebieden en samenwerkingen kan ontwikkelen. Manon ontwerpt ook concepten voor bedrijven en organisaties, waarbij projecten na voltooiing worden overgenomen en langdurig kunnen voortbestaan.

Tekst: Mark Minkjan
Winner DDA
Márk Redele
Márk Redele
Márk Redele
Márk Redele

Márk Redele

Nadat hij zijn opleiding tot architect had afgerond, was Márk Redele wat teleurgesteld door de beperkte relevantie van het metier als onderdeel van het gestandaardiseerde bouwapparaat. Vanaf dat moment besloot hij om een meer theoretisch standpunt in te nemen en richtte hij zich met zijn ruimtelijke werk steeds meer op de kunst. Hoewel Redele zich nog steeds bezighoudt met materiaal en formele aspecten, is zijn werk bedoeld om de fysieke en mentale ruimte waarin ze worden geplaatst, opnieuw vorm te geven.

Zijn werk is agonistisch: we zien een soort strijd en tegelijkertijd een uitnodiging aan mensen om deel te nemen en te antwoorden. Het suggereert meerdere architecturale scenario's binnen één werk om de aandacht te verleggen van het fysieke naar het denkbeeldige. Márks praktijk is niet alleen een fenomenologie van materiaal en beweging, maar ook een van taal: het onderzoekt hoe ruimte moet worden herschreven.

Skeuomorfe elementen (materialen die zodanig zijn gevormd dat ze op andere materialen lijken) komen veelvuldig terug in zijn praktijk, zodat hij collectieve percepties en conventies op de proef kan stellen. Door nieuwe perspectieven te bieden op doodgewone voorwerpen, omgevingen of situaties verlegt zijn werk de aandacht naar het banale, naar alledaagse bewegingen, gebeurtenissen en gewaarwordingen. Als mensen hiermee worden geconfronteerd, worden ze uitgedaagd om tactiliteit, materialiteit en onzichtbare acties en reacties te herontdekken. Een installatie kan tegelijkertijd worden beschouwd als een designobject, een architecturale vorm en een constructie die iets anders wordt. De kwaliteit van worden vormt een ander belangrijk thema in zijn werk. Hiermee wil hij de gangbare ideeën aanvechten over volledigheid en wat 'hoort' in de ruimtelijke vormgeving, door een open uitwisseling tussen mensen en ruimten voor te stellen.

Redele ziet de wereld van de kunst als een vruchtbare omgeving, waarin hij kan werken aan zijn Trojaanse paard, waarmee hij zijn ruimtelijke aanpak naar architectonische schaal kan overbrengen. Zijn theoretische creaties krijgen vorm als installatie, waardoor ze meer kunnen zijn dan alleen architectuur op papier. Zijn doel is om op hetzelfde speelveld te acteren als de traditionele architecturale praktijk, maar dan wel om constructies te creëren die meer vrijheid bieden op het gebied van materiaal, betekenis en wat deze het individu kunnen bieden.

Zijn praktijk ontwikkelt zich op dit moment meer richting collaboratieve projecten, waarvoor hij samenwerkt met schrijvers, ontwerpers, kunstenaars en fotografen. Door anderen uit te nodigen om artistieke interpretaties van ruimtelijke fenomenen te ontwikkelen, bouwt Redele voort op zijn aanpak waarbij hij een reeks architecturale scenario's tegelijkertijd aanbiedt. Hij creëert nog steeds autonoom werk, maar hij neemt nu ook steeds vaker een rol als curator aan, waarbij hij verschillende geluiden om zich heen verzamelt die op ongewone wijze samenhangen met ruimte.

Tekst: Mark Minkjan
New State of Matter
New State of Matter
New State of Matter
New State of Matter
New State of Matter

New State of Matter

Zou je wel een kind moeten nemen? Is dat fair tegenover het kind, of tegenover de rest van de wereld, als de toekomst zo onzeker is door de uitdagingen met betrekking tot het milieu? Is het verwekken en opvoeden van een baby iets dat kan of zou moeten worden gecontroleerd? Welke invloed heeft dit op je relatie en familie? En hoe zit het met de impact op je lichaam, zeker als je de moeder bent? En je carrière, wat is nu je levensdoel? Dit zijn een aantal vragen die designer Gaspard Bos opwerpt met zijn nieuwe stuk Pathfinders, dat wordt onthuld tijdens de Dutch Design Week.

“Het is een mediator bij gesprekken,” zegt Bos over de interactieve installatie die hij ontwikkelde terwijl hij bezig was met een onderzoeksstage aan het Unstable Design Lab in Boulder, Colorado in de Verenigde Staten. Dit werk markeert een keerpunt in de ontwerppraktijk van deze Rotterdamse designer. Nadat hij in 2013 de opleiding Integrated Product Design afrondde aan de TU Delft, stond hij aan de basis van de start-up Better Future Factory (doorbouwend op de interactieve recyclinginstallatie Perpetual Plastic Project), werkte hij met wandelwagenfabrikant Bugaboo om designaspecten open source te maken en zo met een 3D-printer vervangende onderdelen te kunnen maken, werkte hij met mensen uit de omgeving om meubels te maken die werden geweven van PET-flessen, en nam hij deel aan het bewerken en herontwerpen van hulpgoederen voor vluchtelingen op Lesbos. Hij houdt daarnaast ook nog tijd over om muziek te schrijven en op te nemen, en om op te treden.

“Toen ik afstudeerde geloofde ik echt dat als je iets wilt doen om de wereld te veranderen en hem duurzamer te maken, dat je er dan ook een bedrijfsmodel aan moest koppelen.” Bos geeft toe dat hij de afgelopen jaren tot de conclusie is gekomen dat de manier waarop we zaken doen een van onze grootste problemen is. Tegelijkertijd heeft hij ook een aantal projectideeën laten varen die zich richtten op technologische optimalisatie: “Technologie brengt mensen niet bij elkaar. Mensen komen bij elkaar. Geweldige technologie of een app zorgt er niet voor dat de wereld ineens een stuk beter wordt. Dat kan alleen door sociale veranderingen worden bereikt.”

Voor de Rotterdamse ontwerper is de essentie van 'transition design' dat deze verandering mogelijk wordt gemaakt door interventies te creëren die ons helpen om onze waarden en de manier waarop we dingen doen te herdefiniëren. Het Pathfinders-project heeft Bos ertoe aangezet om zijn werk meer in deze richting te sturen. Hij blijft werken aan project waarbij 'machine learning' en tweedehands kleding een rol spelen. Het potentieel van nieuwe technologie wordt gecombineerd met de noodzaak om de wegwerpcultuur van de mode-industrie te bespreken en te herwaarderen.

Bos besluit: “Ik zal nooit meer zeggen dat ik oplossingen ontwerp. In een wereld die voortdurend verandert, zijn oplossingen al snel verouderd. We hebben meer transities nodig.”

Tekst: Nadine Botha
Studio Reus
Studio Reus
Studio Reus
Studio Reus

Studio Reus

Er bestaat geen algemene definitie die van toepassing lijkt te zijn op Jonathan Reus. Enerzijds maakt hij experimentele elektronische muziek, waarbij hij de emotionele ruimte onderzoekt die ontstaat tussen muzikanten als ze improviseren. Anderzijds is hij de geluidskunstenaar die de sonische scenografie van een aanstaande uitvoering van Brave New World door het Asko-Schönberg-ensemble moet vormgeven. Zijn werk is echter niet zo vol spektakel dat hij zich prettig voelt met de benaming media artist. Contemporary artist is misschien meer van toepassing om de subtiele conceptuele aard van zijn werk te omschrijven, maar dit is weer geen goede weergave van zijn materiaal en maakproces. Misschien is hij meer een conceptual designer, maar hij wil niet meegaan in de innovatieretoriek die hiermee gepaard gaat. Hij geeft toe dat het niet makkelijk te definiëren valt.

Maar hij voelt zich wel lekker op dit speelveld dat lak heeft aan definities. Botha begrijpt daarnaast als geen ander dat “je boven komt als je worstelt”. Nadat hij zijn bachelor had behaald in de VS, brak hij zijn rug en moest hij leren zich toe te leggen op zijn artistieke ambities. Hij moest baantjes als software engineer aannemen om zijn studieleningen en ziekenhuisrekeningen te kunnen betalen. “Dat werk zorgt ervoor dat je je neuronen traint om logisch, rationeel en lichaamloos te werk te gaan”, aldus Reus, “en veel van mijn kunst probeert daar tegenaan te schoppen.”

Dit gevecht zien we terug “vanuit een technologisch standpunt maar ook in het proces waarin artistieke hulpmiddelen worden ontwikkeld waarin verpersoonlijking, een gevoel van flow, een gevoel van het beleven van tijd, het beleven van een moment worden aangemoedigd.” Dat zijn enkele van de ruimtelijke, tijdsgebonden en vleesgeworden kwaliteiten waardoor hij zich aangetrokken voelde tot geluid als artistiek medium. Hij vraagt zich af of de recente comeback van sound art misschien een algehele uitvergroting is van zijn eigen worstelingen: “Misschien is mijn ervaring het bouwen van software gewoon een microkosmos van de ervaringen van de rest van de wereld die voortdurend wordt overspoeld met schermen.” Reus woont tegenwoordig in Den Haag , maar zijn artistieke ambities kregen in 2009 een tweede kans in Amsterdam toen hij een W. J. Fulbright-beurs kreeg om een onderzoeksproject uit te voeren bij STEIM. In 2014 voltooide hij de masteropleiding Music aan de ArtScience Interfaculty van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Hij hunkert echter nog steeds naar een soort middenweg en hij heeft het afgelopen jaar gebruikt om een werkwijze te vinden voor zijn creatieve praktijk. De eerste stap hierin was het bouwen van een studio. Binnenkort begint hij aan een residency bij het IEM in Graz als onderdeel van het onderzoeksproject 'Algorithms That Matter' en op dit moment wil hij onderzoek doen naar alternatieve, niet-digitale algoritmische ideeën uit verschillende culturen. Deze ideeën zijn niet alleen interessant omdat ze kunnen dienen als een nieuwe benadering van elektronische muziek, maar ook omdat hij hiermee zijn werkproces kan perfectioneren: “Ik wil mijzelf uitdagen om voor mijzelf een algoritme te maken om kunst te maken”, zegt hij gekscherend. “Tegen het einde van het jaar heb ik hopelijk ofwel een geheel ironische flowchart voor het maken van werk, of een krachtig hulpmiddel dat ruimte laat aan toeval, maar gestructureerd genoeg is om identiteit te produceren.”

Tekst: Nadine Botha
Suzanne Oude Hengel
Suzanne Oude Hengel
Suzanne Oude Hengel
Suzanne Oude Hengel

Suzanne Oude Hengel

Innovatie in breien: allang niet meer een tegenstelling, zeker niet voor ontwerper Suzanne Oude Hengel. Zij probeert grenzen te verleggen en op een nieuwe manier naar de mogelijkheden van de breimachine te kijken. Ze past haar bevindingen toe in vernieuwende, naadloze schoenontwerpen.

Zo onconventioneel als haar ontwerpen zijn, zo conventioneel zijn de ontwerpvraagstukken waar ze zich mee bezig houdt: hoe gebruik je het materiaal op een eerlijke manier, zoals het zich gedraagt? Hoe sla je als onafhankelijk ontwerper een brug naar de industrie? Vooralsnog zijn de kleurrijke, opvallende schoenen die ze maakt prototypes. Haar doel is niet zozeer een eigen label te creëren. Liever doet ze zelf onderzoek, adviseert ze bedrijven op het gebied van materiaal en techniek en bedenkt ze in samenwerking met innovatieve partijen nieuwe toepassingen voor footwear.

De behoefte aan verdieping van haar technische kennis kwam vanuit frustratie met het antwoord: “nee, wat jij wilt kan niet met de machine”. Een antwoord dat lang niet altijd waar blijkt. De ruimte om te leren en uitproberen krijgt Oude Hengel in het TextielLab in Tilburg, onderdeel van het TextielMuseum. Na een stage van een jaar werkt ze er nu als technisch medewerker op de breiafdeling. Daar leert ze niet alleen de vlakbreimachines door en door kennen, maar ook de software waarmee de digitale apparatuur wordt aangestuurd. Het leren programmeren kost veel tijd en training, iets wat Oude Hengel in haar eigen tijd doet. Je zou het een digitaal ambacht kunnen noemen: oefenen, uitproberen, uren en meters maken. Doordat ze heeft kunnen investeren in software, kan ze zich nu in haar studio het programma eigen maken.

Haar eigen handbreimachines zijn een fijne, low tech manier om hands on ideeën uit te kunnen proberen en meteen ook te veranderen, iets wat moeilijker gaat op digitale machines waar je eerst alle informatie moet inladen. Ook de zolen maakt ze al sinds haar afstuderen op een laagdrempelige manier: door de bovenkant van de schoen (upper) in een rubberbad te dopen. Er komt dus geen lijm aan te pas. Momenteel onderzoekt ze de toepassing van spacers (een stof waar ruimte tussen zit, als een sandwich) om een lijmloze verbinding met de zool te creëren.

Op Europese vakbeurzen die ze het afgelopen jaar bezocht breidde ze niet alleen haar kennis van materialen en actuele ontwikkelingen uit. Het leverde haar ook zichtbaarheid en een nieuw netwerk op. Dit betaalt zich nu uit in steeds meer interessante en relevante opdrachten. Breien heeft de toekomst.

Tekst: Victoria Anastasyadis
Tenant of Culture

Tenant of Culture

De praktijk van Hendrickje Schimmel is niet makkelijk in een categorie te vangen. Ze houdt zich onder andere bezig met textiel, mode, sculpturen en conservatie. Nadat ze mode had gestudeerd in Arnhem en Textiles aan het Royal College of Art in Londen, kwamen haar interesses samen in een ongewoon genuanceerde benadering van stoffen. Ze richtte zich met haar werk daardoor minder op de mode-industrie. Schimmel is gefascineerd door mode als fenomeen: hoe het werkt, het discours dat erdoor ontstaat, hoe trends rouleren en evolueren, en welke invloed mode heeft op het leven van 'gewone' mensen. Ze probeert sindsdien een antwoord te vinden op deze vragen via textiel en kleding, zelfs als deze nooit met een lichaam in contact komen.

Schimmels werk laat een wereld zien waarin creatieve velden zich voeden met elkaar en zorgen voor kruisbestuiving. Het is een wereld waarin kleding zowel het onderwerp van als een middel voor socio-economische kritiek kan zijn. Omdat momenteel de huizenprijzen onbetaalbaar zijn voor jonge mensen en sociale media altijd en overal aanwezig zijn, is iemands kleding een krachtig statement in de publieke ruimte. Schimmel wil haar praktijk niet inkaderen in projecten die worden gestuurd door abstracte concepten. In plaats daarvan omarmt ze de rommelige complexiteiten, toevalligheden en paradoxen die ze in Londen tegenkomt. Het frivole kan net zo betekenisvol zijn als het minimalistische, en haar werk functioneert als een barometer voor de manier waarop mensen iedere dag weer omgaan met textiel. Ze geniet van de vrijheid om zich te onttrekken aan het maken van een draagbare en winstgevende collectie, terwijl ze tegelijk de aversie van de kunstwereld voor dingen die op producten lijken wil uitdagen.

Kortgeleden onderzocht Schimmel nog de dubbele retoriek van hyperfunctionaliteit en nauwgezet traditionalisme in hedendaagse kleding. Ze omschrijft deze concepten als “ornamenteel overleven” en “bucolische nostalgie”. Het romantische verlangen naar een eenvoudiger verleden is al lang een centraal thema in de menselijke cultuur, en dat geldt eigenlijk ook voor de mode-industrie. Zelfs nu technische verbeteringen ervoor zorgen dat zowel de stoffen zelf als de productie van kledingstukken steeds complexer, technologischer en performatiever worden. Schimmel beschouwt “ornamenteel overleven” en “bucolische nostalgie” als antwoorden op de kneedbare ideeën van natuur, urbanisme en moraliteit. Zowel de jas met camouflageprint als de goed zichtbare waterdichte rugzak belichamen een diepgewortelde angst voor een onbekende toekomst en een valorisatie van de jagerfiguur. Het mandje van stro roept dan weer beelden op van het organische leven op het platteland. Terwijl ze deze thema's onderzoekt, experimenteert Schimmel ook met de grenzen van draagbaarheid en conservatie, en de wisselwerking daartussen op plekken waar mensen elkaar ontmoeten.

Tekst: Tamar Shafrir
TeYosh
TeYosh
TeYosh
TeYosh

TeYosh

Sofija Stanković en Teodora Stojković kwamen vanuit Servië naar Nederland om graphic design te studeren aan het Sandberg Instituut. Ze werden aangetrokken door de open structuur van de school en de sociale en politieke betrokkenheid die er worden gekoesterd. Dit onderwijsmodel sloeg aan bij het duo, dat de ontwerper niet beschouwt als een intermediair tussen klant en printer, of als slechts degene die de ideeën van anderen visualiseert, maar als iemand die reageert op en ingrijpt in de krachten en urgenties die hun actuele context vormen. Hun Servische wortels hebben een grote invloed op hun werk: thema's zoals de patriarchale maatschappij leken geen goed idee voor een studio in Nederland, want ze wilden hun nieuwe omgeving niet al te zeer politiseren. In plaats daarvan verlegden ze hun aandacht naar het controversiële maar universele onderwerp sociale media.

Onder de naam TeYosh onderzoekt het duo het gedrag van community's die online verbonden zijn. Ver weg van hun oude vrienden zagen ze dat activiteiten op sociale media geen neutrale weergave zijn van hoe mensen met elkaar omgaan in het dagelijks leven. Het zijn eerdere gecontroleerde voorstellingen van wat iemand een 'ideale' persoon of persoonlijkheid vindt. De huidige sociale-mediaplatformen zijn verstoken van nuances zoals lichaamstaal, stembuiging en oogcontact. Ze hebben echter wel gezorgd voor geheel nieuwe uitdrukkingspatronen. TeYosh identificeert deze patronen en geeft uitleg in het almaar groeiende Dictionary of Online Behavior, waarin termen als 'clickvalue', 'forcie' en 'thrillification' zijn opgenomen. Uiteindelijk willen ze een meer bewuste relatie tot sociale media creëren, zodat gebruikers kunnen bepalen hoe hun offline identiteit daardoor wordt beïnvloed.

TeYosh is een goed voorbeeld van een creatieve praktijk waarbij scepsis, gevatheid en een kritische benadering van moderne technologie ervoor zorgen dat er naar kansen wordt gezocht buiten techbedrijven of start-ups om. Zo bewaren ze afstand en onafhankelijkheid ten opzichte van hun onderwerpen. Ze kiezen voor verschillende media, van animatie en mode tot spreken in het openbaar, en betrekken zowel het publiek als partners bij hun onderzoeksaanpak. Ze hebben ook geëxperimenteerd met virtual reality, vanwege het vermogen daarvan om het snijvlak van virtueel en fysiek nog dichter bij de nabije toekomst te brengen. Noch technofiel, noch technofoob: TeYosh vertaalt de rol van de grafisch ontwerper naar die van een antropoloog op het gebied van experimenteel gedrag – een die op de drempel staat van snelle technologische veranderingen.

Tekst: Tamar Shafrir
Willem van Doorn
Willem van Doorn
Willem van Doorn
Willem van Doorn

Willem van Doorn

In zijn praktijk brengt ontwerper Willem van Doorn interactie tussen mensen, objecten en ruimte teweeg. Het werk vraagt bijna altijd om actie en beweging, waardoor mensen onderdeel van een plek worden. De karakteristieken en geschiedenis van een plek en de intentie mensen ergens toe aan te zetten zijn gewoonlijk startpunten van een ontwerpproces.

Terwijl een constante informatieoverstelping ons bewustzijn beheerst en we vervreemden van onze directe omgeving, probeert Willem mensen fysiek en rationeel wakker te schudden met ogenschijnlijk simpele installaties en activiteiten. Door hun directheid lokken ze een hernieuwd besef uit van menselijke basisbehoeften en de kwaliteiten van een plek. Startmaterialen zijn vaak alledaags en op locatie gevonden, maar door hun ongewone toepassing realiseert Willem onverwachte situaties. Zo vangen de projecten aandacht en forceren ze contact met het object, de plek of andere aanwezigen.

Veel van Willems ontwerpen ontstaan gaandeweg door te maken, te testen, modellen te bouwen en al doende nieuwe onderzoekspaden te volgen. Om deze processen te voeden werkt hij vrijwel altijd samen met andere kunstenaars en ontwerpers die zijn werk aanvullen met onder meer technisch inzicht, verhalende concepten en begrip van natuurlijke processen.

Een goede werkplek die vrijheid en rust biedt en door zijn uitrusting inspireert tot maken is voor Willem cruciaal. Middelpunt van zijn praktijk is dan ook de werkplaats die hij na zijn afstuderen oprichtte op de boerderij van zijn familie in De Kwakel. Deze grote maakomgeving vol werktuig biedt de ruimte voor productie, experiment en samenwerking. Zo is de boerderij zich aan het ontplooien van boerenbedrijf tot proeftuin voor ideeën en ontwerpen. In het verlengde hiervan heeft Willem ook een gastenverblijf ontwikkeld. Hierdoor kunnen andere kunstenaars en ontwerpers voor korte of langere tijd in de werkplaats komen werken, bijvoorbeeld aan eigen ruimtelijke projecten of voor samenwerkingen. Voor de bouw van het verblijf wordt (rest)materiaal uit de directe omgeving van de boerderij gebruikt.

Recentelijk heeft Willem geïnvesteerd in het professionaliseren van zijn praktijk en ontwikkeling naast zijn plaats- en tijdgebonden werk. Belangrijk onderdeel hiervan is een nieuwe online presentatie. Aangezien zijn ontwerpen zich moeilijk lenen als verkoopproduct, maar wel op allerlei evenementen en plekken toepasbaar zijn, is een verhuurmodel opgezet. Daarnaast wordt de werkplaats stapsgewijs geperfectioneerd. Ook hoopt Willem meer ruimtelijke projecten te gaan doen, al dan niet in samenwerking met architecten, musea of decorbouwers.

Tekst: Mark Minkjan
Yamuna Forzani
Yamuna Forzani
Yamuna Forzani
Yamuna Forzani

Yamuna Forzani

Queer-gemeenschappen zijn altijd al ware broedplaatsen voor radicale culturele innovatie geweest. Dit werd duidelijker dan ooit in de twintigste eeuw, toen groeiende stedelijke bevolkingen, veranderende sociale normen en onafhankelijke mediakanalen de groei van alternatieve ruimten en solidariteitsnet-werken, vieringen en activisme aanwakkerden. Terwijl leden van de queer-gemeenschap vaak werden vergeten of verketterd door de 'gewone maatschappij', en verstoken bleven van financiële en sociale steun, bloeide hun creativiteit op in de minder rigide nachtclubs en kunstlokalen. Met name de ball-cultuur in het New York van de jaren tachtig bood alle ruimte aan performance en kostuumdesign, maar ook aan cultureel commentaar, vriendschappen en aandacht voor aids. Hier konden gender en seksualiteit worden onderzocht in een gemeenschap die deze vrijheid koesterde.

Yamuna Forzani studeerde af aan de afdeling Textile & Fashion van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Ze viert de ball-cultuur in een multidisciplinaire praktijk die mode, fotografie, dans, installaties en social design combineert door middel van inclusieve publieke events. Het ball wordt een gedeeld platform waarop deze creatieve methodologieën samenkomen, en daarmee eer betuigen aan de balls van de jaren tachtig, terwijl ze tegelijk experimenteren met nieuwe formats of thema's. Haar Utopia Ball Fashion Show volgt de ball-traditie door een competitie-element toe te voe-gen dat is gebaseerd op verschillende complexe performancecategorieën, van 'Virgin Runway' tot 'Executive Realness'. Deze veelheid aan categorieën vormt de erkenning van een geschiedenis waarin queer mensen zochten naar verschillende vormen van zelfexpressie en zelfbescherming, evenals een nieuwe hedendaagse esthetiek. Forzani's collectie van vierentwintig veelkleurige gebreide outfits wordt voor het eerst getoond tijdens het ball, waardoor de ontwerpen verweven raken met de context waardoor ze zijn geïnspireerd. Haar collectie is ontworpen om niemand buiten te sluiten, maar om juist 'genderful' te zijn. Hiermee wordt de veelheid aan rollen en identiteiten die we spelen binnen sociale structuren gevierd.

Door dergelijke events te houden volgt Forzani een ontwerppraktijk die haar interesses buiten het ont-werpveld weerspiegelt. Ze biedt ruimte aan haar artistieke en politieke activisme als lid van het Kiki House of Angels in Nederland en internationaal lid van House of Comme Des Garçons uit New York. In plaats van persoonlijke perspectieven te onderdrukken in overeenstemming met het idee van 'neu-trale professionaliteit', kunnen designers vandaag de dag een bijdrage leveren aan de belangrijkste gespreksonderwerpen, van klimaatverandering en migratie tot automatisering en privacy. Het werk van Forzani toont de fantasierijke en retorische kracht van creatieve productiviteit en het resulterende ver-mogen om de grenzen van de designindustrie te overstijgen.

Tekst: Tamar Shafrir